Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moetten wij vluchtelingen, die zonder licht, tastend en strompelend trokken naar de oorden, waar geen verschrildting van aardschokken hen dreigden, de rustige oorden, waar wij vandaan kwamen. Wij letten niet op hen, gaven amper antwoord op hun vragen, joegen voort.

Tusschen twee tunnels lagen wel soms lange open plekken, waar wij citroenen en sinaasappels plukten uit de boomgaarden, en waar wij op kaarten uitrekenden hoe ver wij konden zijn. Tot eindelijk in de verte klonk het gebas van honden en een weeë lijklucht als een wolk op ons afschoof. Ver in de glanzende, zilverschuimende zee stond een vierkante rots op. „Sculla" zeide een soldaat. En wij kwamen langs het dorp, waar het maanlicht grijnsde in de holle ramen, de opstaande bouwvallen en waar bij een kleine acetyleenlamp een carabiniere zat, de buks over de knieën. Soms nam hij ze op, schoot op de dwalende lijkenvretende honden, en het schot daverde door de stilte en even klaagde het gehuil van het getroffen dier. Tegen de hellingen van de bergen schemerde een wachtvuur. Daar zaten bijeen de vier geredde inwoners van het vierhonderd zielen tellende dorpje, een oude vrouw, die bij alles wat men haar zeide uitbrak in een krampachtigen schaterlach, een jong meisje van veertien, dat op geen enkele vraag antwoordde en maar verdwaasd zat te staren in het vuur, en twee mannen, die om sigaretten vroegen en zulke verwarde verhalen deden, dat wij aan hun verstand moesten twijfelen.

„Hoe is het met Messina?" vroeg een soldaat.

„Weg, heelemaal weg. Alles weg. Moet ook zoo wezen. Gods hand is machtig en ik heb mijn Zondagsche broek gescheurd," praatte de eene man zijn wartaal.

Verder gingen wij, steeds naderend het punt, waar de Straat van Messina een bocht maakt, waar wij de stad zouden kunnen zien. Weer kwam een tunnel, draafden wij voort met de dan-

Sluiten