Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik keerde mij om. Aan den Oostkant, onder de brug, loopt de rivier in gescheiden vijvers. Alles was begraven in donker en somberheid. Maar ongeveer tweehonderd yards verder, op den rechteroever, was er een roode vlek, en dansende vlammen. Men was bezig op den oever een lijk te verbranden, waarvan de vroegere bezitter aan de pest was gestorven. Want hier in Poona is het nu, als in de oude dagen van Homeros, ald dè nvgai vexvcav xatovto êa/ieial....

Plotseling zeide een stem achter mij: Zij branden goed in een' kouden nacht. Ik keek rond. Naast mij stond een Hindoe, wiens ware naam ik het niet geoorloofd vind te vermelden. Zijn witte kleederen waren geheel bevlekt en bespat met rood, want het Heilige Feest had zijn merk op hem achtergelaten.

Wel, Wishwandth, zeide ik, wat zijt ge hier aan 't doen? Of zijt ge, evenals ik, hier enkel gekomen dekhne ke wéste, om de zon te zien ondergaan en „lucht te eten"?

Wishwandth wierp een zorgeloozen blik naar den hemel. Ja, zeide hij, het ziet er van hier goed uit: maar ik heb het al zoo dikwijls gezien. Het was gisteren nieuwe maan.

En heel gauw zal hij ') oud zijn. Kijk, Wishwanéth, hier gebeurt iets vreemds. Zie, daar aan dien kant is de maan, de zon volgende om te rusten in een bad van vuur, en zij zullen er morgen des te mooier om verschijnen. Maar kijk nu eens daar beneden. Daar is nog een ding, verdwijnende in het vuur. Maar hoe zal het met dat gaan?

En ik wees naar den brandenden houtstapel aan den anderen kant.

De Hindoe keek er een oogenblik met vasten blik naar, en toen naar mij. „Het zal precies hetzelfde zijn," zeide hij.

„Wat? denkt ge dat dat weer terug zal komen, evenals de zon en de maan ?"

') Maan en Zon zijn in 't Sanskriet mannelijk.

Sluiten