Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij antwoordde een oogenblik niet. Toen zeide hij langzaam, met een lage stem, als eerder sprekende tot zichzelf dan tot mij: Hoe zou het niet terugkomen? na j ayate mriyate wa kadachit1).

Ik keek naar hem, maar zeide niets. Hij ging dóór standvastig te staren naar den brandenden houtstapel, zwijgende, en ik deed hetzelfde. De vlammen waren aan het uitsterven: hun werk was gedaan.

Metempsychose, transmigratie, eeuwigdurende incarnatie en reïncarnatie van de onsterfelijke ziel in lichaam na lichaam, geboorte na geboorte: de geheele Hindoe-literatuur is slechts de kaleidoscopische herhaling van dit ééne identische idee, welks schoonheid een zulke is, dat geen logica het ooit zal vernietigen of verdrijven ten bate van een ander. Want de Sanskriettaal is een soort relikwie-kast, gewijd aan de belichaming en onsterfelijkmaking van deze filosofische mythe. De Hindoes zijn er door in bezit genomen; het is hun hereditaire erfstuk, Kramagatam, het legaat van een onheuchelijk yerleden; het is alles dat hun overgebleven is. En naties, evenals de karakters in ons verhaal, klemmen zich, in perioden van degradatie en verduistering, wanhopig vast aan alles wat hun herinnert aan een vroegeren staat van idealen voorspoed, die is overgebleven in hun literatuur en die echoot in hun zielen, als doffe herinneringen aan een vergeten paradijs, of vage reminiscenties van een vroegere geboorte. De afstand geeft er betoovering aan, en de tijd veegt bizonderheden uit, en begiftigt strenge werkelijkheden met droomerige schoonheid; en zóó vervaagt een hard, steenachtig verleden langzamerhand in een schilderij, blauw, zacht, en onuitsprekelijk schoon, als een of ander laag dor eiland, over een heete en glinsterende zee ver weg gezien in den mist.

P o o n a, 21 Maart 1903.

') Uit de Bhagavad-Gfta: Het wordt nooit geboren en sterft nooit.

Sluiten