Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

DEN zeide hij tot zichzelf: Ofschoon ik de tong van dien ongeluk aanbrengenden Wairagi heb afgehouwen, heeft hij mij nooit mijn Weg gezegd. En hij ging verder, met het zwaard in de hand, langs een zilveren pad, tusschen boomen die op Rakshasa's geleken, want zij lieten door het haar van hun takken het licht' van de maan door, dat op hem neer gluurde

als uit nieuwsgierigheid, en hem voorlichtte op zijn weg als in bewondering voor zijn moed. En onder het loopen werden de boomen zeldzamer, en ten laatste keek hij voor zich uit, en zag in een open ruimte een donkerblauwen woud-vijver, bestrooid met maan-lotussen, als geschapen om het uitspansel van den hemel bespikkeld met zijn sterren te bespotten, een spiegel gevormd door Wedasa ') om een andere wereld beneden nagemaakt voort te brengen. En overal er overheen vlogen vuurvliegen, er uitziende als zwermen bijen die teruggekomen waren met toortsjes, niet in staat om des nachts de scheiding te verdragen van de lotusbloemen die zij den ganschen dag liefhadden.

') De Schepper.

Sluiten