Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen schreeuwde Ulupi, als een gewonde olifant. En zij greep hem bij den arm, en schudde hem heftig, en riep uit: Heb jij een steen in je borst, in plaats van een hart, dat mijn schoonheid je niet kan raken? Want ik weet, dat ik mooi ben, en dat er geen schoonheid is als de mijne in de drie werelden. En Umra-Singh keek naar haar, en stond verwonderd, want haar woede maakte haar nog liefelijker dan tevoren. En hij zeide: O dochter van een Daitya, ge spreekt de waarheid: toch kan een vat dat vol is niet méér bevatten, de vloeistof moge zijn wat zij is, en zóó is mijn hart. Laat mij nu aan U voorbijgaan, alsof ik U aandacht niet verdien; want ik ben op reis naar het Land van de Lotus van de Zon. Toen zeide Ulupi, met een stamp van haar voet: Dwaas! ge zult dat Lotus Land nooit zien.

En zij keek naar hem met een hoonenden lach: en onmiddellijk zat zij neder, en wikkelde zich zelf in haar lang haar, en begon te weenen. En toen zij zoo weende, stroomden de tranen uit haar oogen als een rivier, en vielen in het meer. Dadelijk begon het meer te rijzen en te zwellen, en vulde het woud met water. En toen Umra-Singh met verbazing naar haar stond te staren, bevond hij dat hij in een wijd moeras stond, met de boomen van het woud als riet. En hij keek en ziet! opeens werd die bedriegelijke lach van een Daitya tot een mist, en dreef weg over het water als damp. En Umra-Singh hoorde haar lach wegsterven in de verte, terwijl zij verder ging, en hij was alleengelaten in het bosch, met het water tot aan zijn middel.

Sluiten