Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIV.

AAR Shri, toen zij tot zichzelve kwam, zat te weenen en zich beangst te maken voor de toekomst: want zij voorgevoelde onheil door de kwaadaardige streken van de dochter van den Daitya. En toch kon zij niet zeggen, hoe zij haar mogelijk kon hebben beleedigd, of haar toorn verdiend. En zoodra de dag aanbrak, stond zij op, en begon bevende door het woud te gaan, waarin de schaduwen van den nacht nog door de boomen

hingen, schrikkende van 't geluid van de vallende blaren, en smachtende naar bevrijding van gevaar in den vorm van de tegenwoordigheid van haar echtgenoot.

Toen, na een poos, hield zij stil en luisterde: want zij hoorde tusschen de boomen stappen, als van iemand in haar richting komende. En haar hart klopte hevig, als om te zeggen: Laat mij Uw lichaam verlaten, en zoo ontsnappen aan het gevaar dat over U aan 't komen is. En toen verschool zij zich in een hollen boom, en gluurde in ontzetting naar buiten. En opeens, vreemd, daar in de vage. schemering zag zij haar echtgenoot naar haar toe komen, juist zoo kijkende als toen zij hem verliet in het paleis in Indiralayd. En onmiddellijk liep zij naar hem toe, overweldigd door aandoening en groote verrassing, en nam hem in haar armen, uitroepende: Eindelijk, eindelijk

Sluiten