Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en geestige beschrijvingen, onschatbaar voor de kennis van hun tijd en volk als de prenten van Van der Venne, Van der Velde, Averkamp en vele anderen.

Van Breero, den schalken beschrijver van ons 17de eeuwsche volksleven, die veel te weinig meer wordt gelezen, mag wel het eerst een proeve worden aangehaald. Men ergere zich daarbij vooral niet aan de goedronde Oud-Hollandsche platheden, die ook op veel der prenten op te merken zijn, vooral waar hier en daar een vrouwspersoon komt te vallen met de beenen in de lucht. De reeds genoemde Lambert staat het rijden aan te kijken en geeft zijn commentaar:

Wat was daer een ghedoen, een gheraes, een ghescherm?

Mijn oogen schemerde, wat quam daer een gheswerm

Van jonges en van goei omtrent de kooren-dragher I

Hoe drock haddet Nies Kaeckt, die bromde met heur swagher!

Hier, hey! Hermen Hooch-hart, die soo weyts rijt en snort

Die haecken in heur schaets, so dat de goet-hart stort

En viel een harde smack, o dat ik mij niet doot lach;

Wangt sij viel op haar neus, so dat mer aelkorf bloot sach

Daer quam Jeuriaen met sien siecke lijf op het ijs,

Die arme breeckebien, die reet met lange Lijs,

Sij ree harder dan hij, hij liet hum moytjes slepen,

En schranckelde soo voort: och! hij hadt sulcke grepen!

Hij hompelden, hij sprong, en maeckten niet veel vaerts,

De lui saghen een jeucht in Jeure Jannen naerts,

Soo ghenoechlijk ging die, als hij hum liet glissen trouwen,

Het volk stond en lachten datse heur bepissen wouwen.

Daar badje stijve Dirck mit sijn nieuw-backe wijf; '..^L**

Hoe bevrooren gaat hij sijn hoofd staat hem soo stijf

Oft op een staeck stong, in hij het ien paar bienen

Tros yemets in het langkt, hier Lobbrich plech te mienen

Dat hij 't puyck was van de stadt; maar noch onse Machteld

Die hetse hum emaeckt vannen stick vannen swachtelt,

Maar om van den man met de valsche kuiten afscheid te nemen, hier is nog een ander tafreel van Breero's hand:

En bij de Diemer-meer daer reden ienghe paertjes, Mit noch ien hiele streeck van ouwe drooghe vaertjes, Al after annenkaer, die rijen dattet giert, Sig hebben deuse kunst de gangsen ofeliert.

Natuurlijk maakte men, als op alle plaatsen waar veel menschen heele dagen zich vermaken, er een soort van kermis van. Hier verkocht men schaatsenlint, daar zat „Aeltje Krimpkous mit mantels en mit

Sluiten