Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huycken". Men zag er stalletjes, tentjes, er liepen kerels met marsen aangebonden, en hier en daar klonk geschreeuw. Rijmpjes, die ons doen denken aan die welke de leerlingen van meester Pennewip maakten, werden geïmproviseerd:

Leg reis an, leg reis an, Bij den koek- en zoopjesman! Kom bij mijn, kom bij mijn: Zoete koek en brandewijn.

Het dobbelen, weliswaar in de stad en haar gebied en nog een mijl in 't rond te land en te water verboden, werd op het ijs, dat „land noch water" was, toegestaan.

IJsschuiten zag men ook. In 1600 kreeg Adriaen Terriër, wonende buiten Haarlem, een octrooi ervoor. De zeilwagen van Prins Maurits stond op ijzers; Pieter Jansz. Twisck getuigt dat daarmee „soo veerdighe 't welck swaerlijck te ghelooven is, in de wint op, over ende weer over laveerende, can ghezeylt worden".

Kwakzalvers lieten zich op groote ijssleden door de menigte duwen, er werd op de fiedel gespeeld, koorddansen werden vertoond, er werd koekgehakt en zakgerold, katgeknuppeld, gansgetrokken, gebald, men zag er ringsteken; sommige ambachtslui brachten hun werk over op het ijs, de kuiper stond er te kuipen, de schoenmaker zat den pikdraad te trekken. Het wemelde van koetsen, speelwagens en kalessen. De schutterij kwam op het ijs, om er naar den papegaai of de schijf te schieten. Er was een draaimolen van sleedjes.

Constantijn Huygens heeft den nederigen vriend en schutspatroon der schaatsenrijders, den Baenveger, bezongen.

Ben ick der kindren vriend; voor Kamerling der Vissen En gaen ick niet wel uyt, in 't vegen dwars en langhs: Voor seker 't soete volck en weet mij niet veel dancks 1 Als ick 't Quicksilver van haer spiegel-glas kom wissen.

Een groot lofzanger van het schaatsenrijden is Six van Chandelier, van wien gansche bladzijden aangehaald zouden kunnen worden. Hier is het portret van een „baaivanger":

Ginds komt een sterk gevolghde Boer, Volwindig gereen, uit 't Veener moer, Ruigh om zijn ongekemde kin, Met lange keegels ijs er in, Dat als een kraalbos, om het haair, Gelaasich ramm'lend wiewauwt swaar.

Sluiten