Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oog en hand, die het eischt, wel een van de meest sportieve Dinnenkamerspelen: er komt nauwelijks kans bij te pas. Het is tevens een mooie sport, omdat het meer een zaak is van zekerheid en berekening dan van groote lichamelijke inspanning, hetgeen mede één van de redenen is, waarom het reeds in vroeger tijden ook door vrouwen gespeeld werd.

Het biljart zelf zag er niet altijd zoo uit als thans, en het spel, zooals het vroeger gespeeld was, moet nog wel zoo moeilijk geweest zijn.

Shakespeare spreekt al van het biljartspel als van een vrouwensport. In Antonius' afwezigheid zegt Cleopatra tot haar hofdame:

Let us to billiards, come Charmian.

Maar al eeuwen vóór hem moet Cathure More (Conn Catchathach), een Iersche koning, 54 biljartballen hebben nagelaten. Anacharsis zag, naar verluidt, 400 jaar v. Chr. een dergelijk spel in Griekenland, maar het kan, in zijn eenvoudigen vorm, wel op verschillende plaatsen tegelijk ontstaan zijn.

Natuurlijk is het biljart zelf, de biljarttafel niet altijd bij het spel te pas gekomen. Het werd wel op den vloer gespeeld, ook buiten, op een gladgemaakte baan, evenals croquet. Men kan zich voorstellen, dat het stooten veel minder fijn was, als het van boven af moest worden gedaan, en dat een tafel, die de ballen op de hoogte van den arm bracht, een groote vooruitgang beteekende. Die tafel werd in den loop der tijden nog zeer gewijzigd.

Fransche schrijvers in de 17de eeuw, die het spel noemen, houden het voor een Engelsche uitvinding. Het werd aan Lodewijk XIV door zijn arts aangeraden. Deed de Zonnekoning het met talent? In elk geval zal een zijner hovelingen hem na een slechten stoot niet hebben toegesproken als Foker in Thackeray's „Pendennis" zijn deftigen oom (dien hij een stoot in de ribben gaf): „Zeg, ouwe pisang, ik heb menigen slechten stoot van mijn leven gezien, maar nog nooit zoo'n beroerden als die". Misschien eischte de etiquette veeleer, dat men Z.M liet winnen.

Sluiten