Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DANS.

De Dans, die, althans in zijn meest ongekunstelden vorm en uitgeoefend door liefhebbers, een gezelschapsspel kan genoemd worden, zou in al zijn verschillende vormen zelf wel een boek kunnen opeischen, en de keeren, dat hij in beeld gebracht is, zijn ontelbaar.

De geschiedenis van dit spel is wel zeer verschillend van die der andere. Ongetwijfeld zal de dans in het eerst een ongedwongen, spontaan en vormloos springen en huppelen zijn geweest. Men kan zich voorstellen, dat dit huppelen en springen aanstekelijk was; als er één aan den gang was, ging een ander al gauw meedoen, maar dat gaf botsingen en leverde een te dwaas schouwspel op. Vandaar dat men (dit alles is hypothese!) al spoedig bepaalde passen en lichaamshoudingen ging voorschrijven, waarbij de dansers elkaar niet hinderden, en zelfs samen een vroolijke en behoorlijke vertooning gaven. Wie daarin nu weer zeer ging uitmunten, ging zijn leven aan den dans wijden, en werd danser of danseres, een beroep, zoowel bij de Ouden, als nu nog bij minder geciviliseerde volken veel uitgeoefend.

Bij de Grieken werd veel gedanst, zij waren een vroolijk en schoonheid-lievend volk; de Romeinen echter, praktisch, zakelijk, streng en deftig (ik spreek van de Romeinen der republiek, de onverbasterden) waren niet huppelachtig en springerig van zin. Nemo saltat sobrius, was hun uitspraak: „Niemand danst nuchteren", en wij moeten dan ook naar de beruchte Bacchanalien zien, om mannelijke en vrouwelijke Romeinen, gansch verbasterd van hun degelijken aard, aan den dans te vinden, die echter meer op een verwilderd springen en buitelen dan op den kunstvollen, smaakvollen pas gelijkt.

Behalve een volksvermaak was de dans in de middeleeuwen en nog later een — plechtigheid. In 1667 verbood het parlement te Parijs de gewijde, maar vaak door wereldschheid ontwijde dansen der geestelijken. Het verwereldlijken van den dans geschiedde op het voorbeeld van Italië, waar gedurende de Renaissance het gecostumeerde bal in trek gekomen was. Richelieu, de groote staatsman en kardinaal, danste in een potsenmakerscostuum voor het hof. Lodewijk XIV was een groot danser, en deze kunst behoorde in zijn tijd tot de opvoeding van den

Sluiten