Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In sterker mate nog dan de histoneschildering, die in later tijden voor de groote kunst bij uitnemendheid is versleten, maar dan uit zuiverder beweegredenen en gevoel, is de middeleeuwsche kunst in Europa dramatisch van aard, of wil men liever: zij is vertellend, maar zij vertelt dan toch alleen van datgene, wat haar als van supreem belang voorkomt: uit de gewijde geschiedenis of het leven der heiligen.

Het is daarom een bijzonder feit: het ongeluk van St. Lidwina op het ijs, dat aanleiding moet geven aan een houtsnijder uit zoo vroegen tijd, om een geval van sport af te beelden, maar toch hoe realistisch was de zin van den Hollandschen kunstenaar reeds toen, dat hij ons een tafreel kon geven, nu nog treffend als gezien, echt waargenomen.

Het is dan ook kenschetsend voor den Nederlandschen primitief, dat hij, als de Renaissance nog niet of nauwelijks komende is, reeds meer en meer in zijn afbeelding van het Bijbelsch verhaal of de heiligenlegende aandacht gaat besteden aan de inkleeding, aan de bijzaken, die meer en meer van realistischen aard worden. Op voorstellingen van de kruisiging zal men bijvoorbeeld gansche volksmenigten, zelfs een soort van kermissen zien, en niet zelden zal van de dobbelende en tuischende soldaten bij die tragische scène de karakteristiek en de levenswaarheid minstens even groot of grooter zijn dan in de hoofdfiguur zelf. Zoo is in die zonderling fantastische voorstelling van een vossenjacht met de centaurachtige jagers op het gothische kistje, dat hier gereproduceerd werd, de vos zelf volkomen reëel, nauwkeurig geobserveerd in zijn voorkomen en actie.

Toen de Hollandsche schilders en graveurs uit het laatst der 15de en het begin der 16de eeuw dus op hun gemoedelijke, zakelijke wijze, en zonder eenig bijoogmerk het dagelijksch leven gingen teekenen, als opgelucht, omdat niet anders dan dat van hen vereischt werd, vond het realisme de Nederlandsche kunst niet onvoorbereid. Voor dien tijd had echter vooral de oudere Brueghel, machtig teekenaar en wijsgeerig waarnemer van het leven die hij was, reeds dikwijls met de traditie gebroken.

Men kan niet zeggen, dat zijn schaatsenrijdersprent, en nog minder dat zijn jagers in de sneeuw, in een bepaald humoristischen, laat staan een satirieken geest gedaan zijn, zooals zijn spreekwoorden of boerentafreelen nog al eens, maar de scherpte van observatie, de sterke typeering maakt vooral de eerste prent tot een bij, uitnemendheid als geestig genoten kunstwerk.

Sluiten