Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met den voorlooper van yan Steen en Adriaan van. Ostade: Adriaan van der Venne, één van de vroegste der Hollandsche schilders van het volksleven, is dit evenzeer het geval. Hij teekent en schildert ons het volk van zijn tijd in zijn nog vaak barbaarsche pret en combineert een landschap met ijs en schaatsenrijders, met een carnavalscène en een vechtpartij, of wel doet ons de dolle, primitieve verkleedpartijen van den vastelavond en het kinderlijke vermaak van den boer of handwerksman daarin zien. Ook bij hem is de karakteristiek soms snijdend, hij is niet slechts de objectieve verteller, hij staat een beetje boven dat gedoe, evenals later Jan Steen zou doen, maar heeft een artistiek genot in het onopgesmukt-menschelijke.

Eenigszins anders is het met enkel aardige, genoegelijke vertellers als yan van de Velde, Nolpe, v. d. Borcht, Hans Bol, Cats, gesteld, die misschien, bij al hun prettige eigenschappen en al hun trouwhartige mededeelzaamheid, een tikje meer illustratief zijn, ideaal-bronnen schijnen voor de kennis van tijd en zeden; men kan op hun prenten precies alle teekenende en epische details aanwijzen, maar alles is daarin dan ook van gelijke waarde en van gelijkmatige nuchterheid. Averkamp is in zijn teekeningen en schilderijen van denzelfden aard, terwijl Van Goyen en Van der Neer de echte schilders zijn, door den toon, de kleur, de fijne stemming en het grillig beweeg op het ijs aangetrokken.

Wat de sport aangaat; het ligt geheel in den onbevangen, argeloozen aard van deze schilders en graveurs, dat zij wel is waar zoo goed mogelijk de actie der schaatsenrijders weergeven, doch dat het hun toch nooit daarom te doen is. Op vele hunner prenten is het schaatsenrijden, of het kolven, sullen en sleetjerijden of arren nauwelijks te zien, louter stoffeering, en vormen pratende en kijkende of kermishoudende en ventende figuren den voorgrond. Geen van hen gaat uit om nu eens een zeer treffende afbeelding van de voortbeweging, den zwaai, den draai, de golving van het schaatsenrijden te maken, zooals in onzen tijd geschetst wordt (zie onze voetbal-illustraties bijvoorbeeld) naar de actie van een voetballer, met de wetenschap dat zoo'n teekening (zoo'n krabbel — het woord duidt al de vlugge werkwijze aan, die erbij noodig is) gecritiseerd wordt, door kenners, door sportslui.

Als de Spanjaard Goya in het begin der 19de eeuw schaatsenrijders etst, waarschijnlijk in Noord-Frankrijk, want in Nederland is hij vermoedelijk nooit geweest, dan is het hem wel degelijk te doen om te laten zien, hoe die beweging, in zijn land onbekend, er eigenlijk uitziet,

Sluiten