Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dit maakt dat hij veel meer dan de oude Hollanders een impressie geeft. Waartoe zouden zij een impressie geven van iets, dat hun en hun publiek gemeenzaam was; zij gaven het genoegelijke, zij putten zich uit in de uitdrukking van de gevallen.

Eenigszins aan hen verwant zijn de achttiende-eeuwsche Fransche meesters, uit de school yan Watteau en Boucher, van Chardin en Moreau Jeune. Zij bewegen zich, als zij den dans weergeven, op een terrein hunzelf en hun publiek overbekend, en bij allen populair. Zij demonstreeren niet, maar vermeien zich in de schoonheid, laten zich gaan in de verrukking om de elegance van den dans, zij vestigen hun aandacht niet op een ding: de beweging der ledematen, de figuren door de passen gemaakt, zij laten ons documenten na, maar het zijn documenten voor de zeden hunner tijdgenooten, voor hun kleeding en hun verhoudingen, niet in het bijzonder voor de actie als teekenkunstig probleem. Zij zijn argeloos, in dit opzicht althans, het komt niet in hen op deze taak: „het geven der beweging" als een bij uitnemendheid moeilijke te beschouwen en zich het hoofd te breken met de vraag of hun lijn wel die beweging geeft. Misschien zijn zij juist daardoor zoo raak in hun uitbeelding.

Tegenover hen staat, zooals hij ook in zijn gansche levensopvatting tegenover hen stond, hun scherp-satirieke en moraliseerende Engelsche tijdgenoot William Hogarth, die zijn cpuntry-dance gebruikt als middel om te demonstreeren hoe schutterig, lomp en ongracieus de meeste menschen zich bewegen, welke hoekige en harkerige lijnen zij vormen en hoe komiek zij zijn, als zij hun ongetrainde, stijve, weinig sportieve lichamen dwingen tot den dans, die lenigheid vraagt. Ook een document dus, maar een dat allerminst geschikt is om de schoonheid van spel en sport te helpen verheerlijken!

Iets van dezen geest ligt nog in de gezellige prent „Frost-Fair" (kermis op het ijs) van George Cruikshank, maar toch zie ik in deze prent meer dan in eenige andere, verwantschap met de gemoedelijk vertellende, als neerschrijvend karakteriseerendé oude Hollanders. De tusschen Hogarth en Cruikshank in levende Rowlandson kan dan weer in zijn Doodendansprent met de tuimelende bende schaatsenrijders als de moedwillige satirieke worden gezien, en in zijn „Dr. Syntax op het ijs" ligt daarentegen juist weer alle bekoring van het vlugge en gracelijke der actie. De Duitscher Chodowiecki, Hogarth's tijdgenoot sluit zich, in zijn teekeningen van den dans, bij de genoemde Franschen aan, alleen staat

Sluiten