Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geamuseerd. En ook bij wat meer geluk vraagt men zich wel eens af, of de vangst ooit de moeite en het geduld van den hengelaar geheel loont. De zaak is, dat men hengelt, om te hengelen, niet zoozeer om het maaltje visch. Het rustig en gelaten wachten tot men beet heeft, mag dan ook voor velen een zenuwstillende ontspanning zijn, terwijl het voor anderen, die niets te verzuimen hebben, toch altijd nog een meer boeiende bezigheid is dan baliekluiven of kringetjes spuwen.

Het hengelen wordt op verschillende tijden van het jaar bedreven, men ziet zelfs in den winter hengelaars van een tocht huiswaarts keeren, maar de voor vermaak of ontspanning visschende kiest toch liefst een minder streng jaargetij.

De Leidsche peuëraar van Hildebrand, die zijn vangst dadelijk op een test met vuur in een koekepan bakt en opeet, en rijkelijk met Schiedamsch vocht besproeit, en als hij thuiskomt door zijn vrouw begroet wordt met een «Luilak! kom je weer uit je smulschoit?" is geloof ik thans een zeldzaamheid. Het Schiedamsche vocht wordt, als men naar den toestand bij het naar huis gaan mag oordeelen, nog altijd veel aangewend, doch slechts als stimulans voor het geduld, en niet langer ter besproeiing van de visch, die werkelijk in een ben wordt meegebracht

Intusschen, wij zijn sinds Lord Byron, die zei dat een hengelaar geen goed mensch kan zijn, sentimenteel geworden, en zullen ons niet verdiepen in de martelingen van den visch of van het aas.

Hildebrand herinnert er in zijn Leidsche peuëraar ook aan, dat de Engelschen bij voorkeur met kunstmatig aas — nagemaakte vliegen — visschen. Zij beweren, dat het niet alleen op deze wijze minder wreed, maar ook wetenschappelijk is en meer genoegen verschaft. Een door mij op dit punt geraadpleegde schrijver beveelt aan de lijn dwars over den stroom te werpen, maar dan nogal beneden stroom, en dan langzaam naar zich toe te trekken. Anderen, zegt hij, zeggen dat men stroomopwaarts moet visschen, maar hij raadt dat niet aan omdat de visch die met den kop stroomopwaarts ligt, dan eerder schrikt. Kleine visschen springen naar het aas, grootere heffen hun neus alleen op om het op te zuigen. Soms zijn de visschen slechts een half uur per dag boven in het water, om de rest van den dag beneden te blijven.

Het maken van kunstmatig aas is natuurlijk een apart werk. Men kan er handleidingen voor vinden. De groote moeilijkheid schijnt te zijn, dat men moet weten welke vlieg in een bepaalden tijd van het jaar in die streek en dat water voorkomt, want de visch wordt

Sluiten