Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^\g|9w«e geldschieters van de Matin en At Daily Mail innig ver-. 'M -knóchte schemp- en leugenblad. Ten duidelijkste erkende hij zulks door te zwijgen als een mummie, nadat genoemde H. M. C. Holdert bij de behandeling der zaak-Schröder voor de Rechtbank het vajgende verklaard had:

„Ik kies voor de Telegraaf leiders van mijn richting. Zoo heb ik wèl prof. Niermeijer uitgenoodigd om mee te werken. Maar prof. Sleeswijk zou ik zeer beslist niet uitnoodigen."

Bovendien is Prof. Niermeijer in de Telegraaf van 17 Febr. 1916 begonnen met een nieuwe reeks artikelen te publiceeren onder het opschrift ,Jtet Duitsche gevaar", waarin de volgende ontboezeming te lezen stond:

„Eenige dagen geleden heeft de Nieuwe Courant de meening uitgesproken dat het voor sommige medewerkers wat compromttteerend geworden zal zijn ziek onder de leiding van de redacHL/- tie van de Telegraaf In het openbaar te vertoonen.(\)"

„Wanneer de Redactie van de Nieuwe Courant gelezen heeft wat door de Nieuwe Amsterdammer, de Avondpost en het ff aarletnsch Dagblad geschreven is over de drijfjacht op de Telegraaf door een aantal bladen ondernomen, dan weet zij met welke meeningen de mijne evenwijdig loopen.(\)" Hieruit blijkt m.i. afdoend, dat Prof. Niermefjefs meeningen evenwijdig loopen met die van de Telegraaf-Redactie, onder wier „leiding" hij zich (ondanks alle compromitteerende onthullingen) „in het openbaar" blijft wee handen op „vertoonen"; correcter gezegd: Prof. Niermeijer's meeningen loopen Sn Engelsche evenwijdig met die van H. M. C. Holdert, den man, die verantwoordelijk ifk. was en is voor den inhoud, en die Prof. Niermeijer de twijfelachtige

eer of scherper gezegd: de schande aandeed hem „uit te noodigen" en aan te stellen als „leider van zijn (Holdert's) richting".

Welnu, den 29en April j.1. — dus vóór het krachtige Duitsche offensief van 29 Mei — bevatte de Telegraaf wederom een artikel van dezen; „geleerde", en wel naar aanleiding van een plaat van Jan Sluyters, die als bijvoegsel van „de Nieuwe Amsterdammer" verschenen was. In „Hindenburg" waren twee herten (de Entente en de Centralen voorstellende)aan het vechten; in de verte stonden de hinden (de neutraal-gebleven volkeren van Europa) vreesachtig te kijken, wie van beide het winnen zou om jjstraks den overwinnaar te volgen en zich aan hem te onderwerpen". Naar aanleiding van deze plaat schreef Prof. Niermeijer bovendien het volgende:

„Wanneer de herten den kamp tijdelijk moeten staken, neerzijgend van vermoeienis, dan is, tijdelijk, de macht aan de hinden.

i" Misschien duurt dat oogenblik rtjaW heel kort; 'taïfflWkx1fè\ een geweldig belangrijk oogenbiik kunnen zijn. Een tijdstip, dat • daarom te voren goed moet worden voorzien en waarvoor zij zich gezamenlijk hebben voor te bereiden." ,r „Zouden zij daartoe kunnen geraken; zou hun het inzichfkunnen ^ wórden bijgebracht, datIer één oogenblik komen zal, waarop er ? naar alle berekening geen gevaar zal zijn, dan was er misschien iets te hecinnen met deze schuchtere kudde." iüs;

„Dat moet voorop staan: geen gevaarlUitgeput ook het kwaadaardige hert, dat reeds eenige kleine dieren der kudde in zijn macht bracht."

„Zoo uitgeput dat de hinden hun wil kunnen opleggen alleen door bedreiging, door gezamenlijke bedreiging."

„Daartoe moeten zij gereed zijn. Daartoe moeten/zij een afspraak hebben gemaakt?

Od wier wee ligt het daartoe het initiatief te nemen? Allicht

van diegene, die het meest bedreigd wordt; door haar ligging, door haar rijkdom, door de zwakheid en verkeerde gezindheid i jf*, van het grootste deel harer leiders."

„Zullen de laatsten er in slagen het Nederlandsche volk ook deze kans, die misschien nooit terugkeert, te doen verzuimen; zal het hun gelukken het volk slapende te houden tot na dat gunstige uur?"

„Lange jaren van berouw kunnen daarop volgen."

„Men denke zich toch eens goed er in, wat het zeggen wil: overmacht van Duitschland op het vasteland van Europa. Dat beteekent voor ons allereerst: verlies onzer koloniën. Want dat Duitschland ook buiten Europa ooit zijn wil zal kunnen opleggen aan de groote Angelsaksische wereldmachten, dat maken de Duitschers zichzelf niet wijs. Zij weten wel beter." Duidelijker kan het nietl Den 29*" April LI. — dus een maand voor het krachtige Duitsche offensief begon 1 — meende Prof. Niermeijer, dat

bet „op den weg" lag van het Nésprlandsche volk om zich tot de

andere neutralen te wenden, ten einde in vereeniging met deze

zonder gevaar . . . alleen door bedreiging, door gezamenlijke be¬

dreiging ... aan Duitschland „hun wil" — d. w. z. den Engelschen will — te kannen opleggen I

Geen gevaar"

Dit herinnert mij

•»<i Acn Mm.

den machteloos ;

zen leeuw een trap durfde go-

ven!

Een minachtend' oordeel over on¬

ze Regeering;

«aIi K1<r Vn

trol. niermeijer

hitst ons volk op

tot oorlog en tevens tegen de re¬

giering ! Net als Schröder het

deed den 30en üZSi ioik tri*

blz. IX).

„£.onacr gevaar". Hoe laf

en hoe slecht!

Maar deze opwekking tot bedreiging van Duitschland bevatte voor de oplettende lezers tevens een geweldige bedreiging aan het adres van het Nederlandsche volk!

Er staat niet: als gij voor Engeland in de bres springt, dan zal Engeland u beloonen door u in het bezit te laten van de kolonies;

Sluiten