Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Negers deugen niet voor het beroep van stoker.

Fotografisch bewijsmateriaal

„Wie op de dingen verstandig let, die zal het goede vinden".

heeft om zijn overtollige warmte te kunnen uitstralen, te kunnen kwijt raken. Deze uitstraling kan natuurlijk alleen plaats vinden zoolang de luchttemperatuur lager is dan de lichaamstemperatuur; waar dit niet geval is, bijv. in stookruimten van stoomschepen varende door de Roode Zee, daar kunnen lichter gekleurde stokers het zelfslanger uithouden dan negers; want bij al te groote hitte kan de neger zijn overtollige warmte niet door uitstraling kwijt raken,, daar neemt zijn zwarte huid de warmte van de omgeving zelfs gemakkelijker op dan de blankere huid van een Europeaan of Chinees.

We mogen het dan ook niet aan luiheid toeschrijven, dat overal in de tropen de donkere inboorlingen van 9 of 10 uur voormiddags tot 3 of 4 uur namiddags den veldarbeid staken om de schaduw te gaan opzoeken.

Nog een andere factor komt hierbij in aanmerking; de dampkring absorbeert van de zonnestralen warmte en licht; zoolang de zon laag aan den hemel staat, schijnt ze schuin door den dampkring zoodat de stralen dan een veel langeren weg door den dampkring afleggen; voor de bewoners van heete landen is dit alweer een reden te meer om den veldarbeid alleen in den vroegen morgen en den namiddag te verrichten. ^Üfc'*

In het State College te Costa Rica heeft men merkwaardige fotografieën gemaakt met behulp van infra-roode (de warmere) stralen. Een neger, een blanke jongen en een Indiaan werden tegelijk gefotografeerd; de neger absorbeerde de infra-roode stralen het best, kaatste er veel minder van terug dan de blanke, zoodat zijn beeltenis veel minder goed gelukte; de Indiaan stond er tusschen in. De natuur geeft ons hiermede een duidelijke vingeraanwijzing, dat we in gezonden toestand van directe tonbestraling gèèn heil behoeven te verwachten, dat deze voor normale menschen niet bestemd is\ De neger zou, als hij in zijn eigen land naakt in de zon ging zitten, te veel warmte opnemen en zelfs de hoognoodige uitstraling bemoeilijken; en als het voor den blanken bewoner van de minst zonnige, de nevelige landen zoo nuttig zou zijn zich aan de directe bestraling bloot te stellen dan zou zijn huid niet ingericht wezen op de terugkaatsing van de warmtestralen, maar wèl op de opname. Duidelijk blijkt dus, dat we er op gebouwd zijn onze lichaamswarmte zélf te vormen en niet onmiddellijk aan de zon te ontleenen.

Nóg duidelijker blijkt dit uit het volgende: het zonlicht bevat, zooals gezegd, ook nóg andere stralen, de ultra-violette, die de

krachtigste scheikundige werking uitoefenen; welnu, ook ten opzichte van deze gedragen de negers en de blanken zich pre<^^ omgekeerd. De zwarte huid van de bewoners der warme landen laat ze 't moeilijkst passeeren; de blanke huid van de bewoners der minst zonnige en nevelige landen (die trouwens door het koudere klimaat gedwongen zijn zich met kleederen te bedekken) laat ze daarTntegenTtet gemakkelijkst door, wat ook al weer een vingerwijzing is om er voor op zijn hoede te zijn, er niet te veel van te willen „genieten". Ook deze eigenaardigheid van de huid is fotografisch vastgesteld; van de ultra-violette stralen weet trouwens iedere fotograaf, dat ze door de gekleurde gedeelten van de huid sterk teruggekaatst worden; .zomersproeten, moedervlekken enz. komen daarom als zwarte vlekken op het portret; het pigment blijkt dus een zeer doelmatige bescherming tegen ultra-violet licht optelevéren.

. Al deze bijzonderheden zijn in overeenstemming met de waarneming, dat de slecht gekleede negers het in de allerheetste woestijnlanden veel moeilijker kunnen uithouden dan de lichter-gekleurde en bovendien goed-gekleede Arabieren; bij de laatsten is de huid donker genoeg om de warmte gemakkelijk te kunnen uitstralen; ten overvloede is ze ondoorscbijnend genoeg om tevens met behulp van witte kleederen de ultra-violette stralen te kunnen afwenden; -en als de luchttemperatuur hooger stijgt dan de lichaamstemperatuur, dan is de huid nog juist licht genoeg om tegen de opname van warmte uit de omgeving te kunnen beveiligen; ook de wijd: zittende kleederen bevorderen hetzelfde doel; daaronder bevindt', zich immers een luchtlaag, die de warmte slecht geleid. • Hiertegenover staat, dat blonde menschen het meest gevonden worden en zich het behaaglijkst gevoelen in noordelijke-landen waar de lucht nevelig is, zooals in net Noord-Westen van Europa.

In Noordelijk Azie en in het Noord-Oosten van Amerika waar ; de lucht zeer droog en doorschijnend is, zijn de bewoners echter gebaat bij een ondoorschijnende huid; het i£ dan ook alweer een V^bewijs voor het bestaan van een Redelijk Bestuur, dat de daar levende Mongolen, Tbibetanen, Eskimo's en Indianen een gele of roode huidkleur hebben; waren ze donker gekleurd, dan zouden ze te veel warmte uitstralen; zij hebben dus juist genoeg kleurstof in hun huid om de ultrt-violette stralen te kunnen afweren; en daar hebben ze niet alleen 'szomers behoefteaan, maar ook 's winters als er sneeuw ligt, die een groot'deel van't.et zonlicht terugkaatst.-

Fotografisch bewijsmateriaal

Slecht-gekleede Negers en goedgekleede, lichter gekleurde Arabieren.

Het land voor blonden.

Sluiten