Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omdat uw schouders dragen alle lasten, omdat ge niet, hoog're, op laag're steunt. Gij zijt de vuurgloed in het diep gewelf die licht- en warmte-ruischen tot den nok van den reuzenbouw maatschappij verspreidt. Doof uit, gij arbeidsgloed: eri als een slang kruipt op klam duister, kilte van den dood, langs alle wenteltrappen en portalen, en leven verstart door het weidsche huis.

Hier springt de bron-aar, makkers, van uw kracht:

uw arbeid houdt in stand het organisme

der maatschappij. Gelijk de longen slurpen

zuurstof uit d'atmosfeer, te voeden 't bloed,

slurpt d'arbeid uit natuurstof 't levenssap

dat maatschappij voedt. En gelijk het hart

het zuiv're bloed pompt door zijn binnenkaamren

en zendt in rijke golven uit, — zoo stuwt

de arbeid alles, waar menschen van leven

door het aderenriet der maatschappij.

En hart, èn longen is zij der gemeenschap.

Trekt gij uw hand terug van 't stugge werktuig,

trekt gij terug die vlijtige, gesmijd'ge,

zorgzame hand: het levende geheel

valt dood uiteen in deelen: zoo vervallen

de leden van 't lichaam, als bloedstroom stokt.

Bij de arbeid begint gemeenschap: arbeids

eerstgeboorne is zij, aan moeder vast.

Weg arbeid, is gemeenschap weg. — Maar gij,

d'arbeid, norsche gezellin uwer dagen

verlatend, brekend den keten der nood

die u vastklonk aan haar dor lijf, voor d'eerste

maal weg van haar barsch oog, haar klamme hand,

gij, vluchtend van 't vampyr-geaarde schepsel

dat dronk uw bloed, uw jeugd, in kleine teugen

Sluiten