Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als man in wijden mantel hult het hoofd. . . De maatschappij verstuift, tot pijn verbrijzeld. Gezag, zich schrap zettend tegen het vloeden heft de hand op en spant zijn keel te schreeuwen zijn arm valt slap, als door getoover, neer, en zijn bevelen, vleugellamme vogels fladderzinken door' storm-gezweepte lucht. — Maar gij, vullend de pleinen met uw menrgt', als witte nevels 't zachtgeronde dal, herwint de eenheid, die d'arbeid u roofde, en wint in haar 't bewustzijn van uw kracht. Ineen stort alles; in het groot gebrijzel verschijnt ge, gij alleen een vaste leider, tot u keert zich de bede der beangsten, de handen strekken zich tot u om steun. Gij wordt gezag, de maatschappij wordt gij. Gij leidt, gij regelt: tusschen brokke' en puineri van het ontwrichte, uiteengeslagen leven plant gij uw vaan, en aan borr'lende wellen die ziedend opschuimden in enge trechters opent gij Socialisme's breede baan.

STEM UIT HET KOOR.

O diep-begraven zekerte van kracht,

van komend-heerlijk zegepralen,

gij hebt altijd geschenen in mijn nood,

gij hebt altijd geflonkerd door mijn nacht

gelijk een ster door takken winterkale

flonkert helder en groot.

O vreemde vreugd, vuur, dat door leden rint! Dat is de kracht, die ik altijd door mij zacht voelde beven, wachtend op een wind haar te doen • uitslaan: o wind nadert gij, die vrij zult zetten 't onvervreemdbaar-eigen vermogen mij verleend,

Sluiten