Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snoert het te saam. O baan een uitweg smart en haat, of zij verstikken mij.... Wat deedt gij, wat deden allen, die leefden.... daarna? Wat kunnen wij doen, de dooden te wreken?

RADOM.

Mijn jonge makker, door wien 't snelle bloed stuwt tintelend zijn warme stroom vooruit in bruisend jagen naar 't bekken der daad, — en gij genooten die mij hebt gehoord met brandendë oogen, de lippen stijfdicht in 't moeilijk zelfbedwang, door nood geleerd: luistert nu nog naar 't woord, dat breekt als morgengloed door het somb're zwerk van mijn verhaal: wat nu zal komen, berust ook bij u. Gij weet nu wat voor gaven heerscnapprj ons toewerpt, vragen w' om een weinig recht [Gij weet nu wat geschiedt als w* onze handen deemoedig smeekend, heffen naar den troon. O genooten, — die ééne dag van bloed, die dag van ijzer deed wat door veel jaren' ons rust'loos ijv'ren niet vermocht te doen : zijn stalen vingers rukten met één stoot aan bloed'ge wortels uit het hart der massa 't witte kindergeloof, het handenvouwend geloof der onderdrukten, dat zou komen redding van boven uit den langen nood.

Op dien dag is een bloedwel hoog omhoog gespoten, heeft allen die staan bekleed met gezags witte heerlijkheid, bespat rood tot den hals; die wel rint nu aldoor uit door heel Rusland, breede stroom en diep, en van zijn oevers staren volk en heerschers elkander in d'oogen, donker van haat.

Sluiten