Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er is geen tijd daar waar de zon niet straalt. —

Tot eindelijk aan onze schuw-knippende oogen

opging een licht: niet 't witte licht der maan,

niet 't flonkeren der gezegende starren

die ons somtijds verkwikken onder 't rijzen

uit donkere schacht,

en niet het alverslindend zonnelicht;

meer dan al deze een koest'ring voor het hart:

het dagend licht van een nieuwe wereld

waarin wij leven zullen vrij van druk,

van zorg, van armoe, van eeuwigen nood.

Dat licht daalde elke morgen met ons neer

en heel den werkdag door lag het gespreid

om hoofden en rompen en maagre beenen

der makkers; en als wij in d' avond stegen

spreidde zijn schijnsel om de donk're daken

van onze hutten een goudschijn en maakte

de harde trekken onzer vrouwen zacht.

Het socialisme was tot ons gekomen,

dat was dat licht. O gezegend zijn glans.

Wij leerden liefhebben; leerden elkaar

aanzien en steune' in broederlijke liefde,

leerden aan millioenen makkers denken

met warmen vreugdedrang in 't hart; wij leerden

u makkers, weten een stuk van u ons zeiven

ons zelv' een stuk van u. Wij leerden haten

met koele haat die lang zijn klauwen wet.

Wij leerden hopen. — Welk een dag was dat,

toen hoop voor 't eerst zachtjes begon te lekken

aan d'ijskorst van vertwijfeling om ons hart.

Toen voelden wij de eerste maal een lente;

voelden daar in die doodsche ond're schachten

haar, boven, drijve' in alle kreaturen

loten en vullen de stengels ihet sap.

Wij werden socialisten.

Sluiten