Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziet nieuwe toppen rijzen, zagen wij

yan ar deze eenheid, hoogere opblinken:

de algemeene aller arbeiders.

Zij werd het doel. [En werd zoozeer ons leven,

dat spraken wij van eigen lot, van onrecht

aan ons begaan, van druk verplett'rend ons,

van hoop, heffend ons recht, gedachte aan makkers

meekwam met de gedachte van ons zeiven

gelijk mét wind meedrijft een geur, een toon.

En drong tot ons tijding van wat u smartte

of streelde 't riart, dan was 't ons, als ervoeren

wij zeiven heil of smart. Zoo hing gemeenschap

een gloed om onze harte', en in dien gloed

zagen w'ons leve' ellendig, zwartgeblakerd

door knechtschap, zengend de vruchtbare jaren

tot stof en asch.] En de wil op te staan

doorsidderde ons : vreugdebevend voelden

w opflitsen het bewustzijn onzer kracht.

Wij weten ons geroepen vlak vooraan

te staan in 't groote worst'len, felle stooten

te voeren, op te vangen van des vijands

slagen den felsten schok. Vreugde en trots

u zóó te dienen, klopt door onze polsen.

En wat de wetten aangaan, die ons binden: wij reek'nen ze niet meer. dan spinneweefsel een sterk man in zijn toorn. Een hoog're dan die gluipende bastaarden van 't geweld schreef in ons hart zijn glanzende bevelen: d arbeiderswet, de solidariteit. O zoete naam voor zachte zede! Broeders: de transportwerkers wenden 't aangezicht vol hoop tot u. Hun harten zijn als strakgespannen snarën, waardoor nu uw woord kan doen uitbreken wild oproer van vreugde.

Sluiten