Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

[Zij rukken als moedige rossen aan hun toornen, zij snuiven begeerig der vrijheid morgenlucht, zij voelen warme golven van vrijheid omzoomen, hun jonge voeten omzoomejn met lentegerucht.]

Die nog niet neigden naar 't fluist'ren van vrees hun ooren, die nog niet bogen onder armoe-juk hUn zin, die werden aan drempel van worsteldagen geboren gaan zijn schaduwgewelven met lachende harten in.

EEN DER MOEDERS.

Kinderen gaat, onze harten zijn leeg van de gouden korrels van vreugde en vrede, als schuren in 't land waar honger rondsloop door winter den barren, kouden; onze harten zijn dor als heuvelen wit stuifzand.

[O eer de moeders hun kinderen zonder tranen brengen aan 't kruispunt waar leven en dood gaan uiteen, zijn in hun harten moederschaps lichtende vanen gedoofd door de bittere vloeden van veel geween.]

O heil ons, dat 't onze kind'ren zijn die bewaren de moeders die komen (mild lacht door een mist hun gelaat), te voelen hun harten verweesd als een zee die haar baren uitrolt in donkeren nacht kinderen gaat.

Gaat dat eens moeders weer lachen als kind'ren geboren worden, weer weene' als zij sterven, uit harten op pijn of vreugde als op golven zich wiegend, dat niet toegevroren hun harten in hun sidd'rende lijven zijn.

EEN GRIJSAARD.

Kinderen, gaat! Aan uw voeten hecht zich de zege; Vrijheid, een gouden vogel, strijkt neer op uw hand; ga gij ons voor, wij volgen op steenige wegen tot donkeren dood of lichtleven in Vrijheids land. — Einde van het eerste bedrijf.

Sluiten