Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN JONGELING (treedt naar voren uit het koor en blijft

bij de baar staan). Hij was een jood. Een zoon der zwaar-belasten, een paria onder pariaas was hij; als een schand'lijk ambt in een lage kaste, als een ziekte, te vuil voor medelij,

had -slaafschheid, erf'nis van de rij der vaadren zich opgehoopt door 't merg van zijn gebeent besmet elke bloeddruppel in zijn aadren; zij was in hem, als zwaarte is in 't gesteent.

Toen hij kind was, leerde hij sidd'ren voor geluiden, schuile' in kelders voor gevaren; aan schaduwkant sloop hij de straten door of haters altijd loerden, zijn gebaren

waren schuw, schuw week hij telkens terug als een hond, dien zijn heer aan slaag gewende; en om hen heen sloot zich de doornenheg van t Ghetto met zijn lijfs- en zielsellende.

t Ghetto, de smaad, de vloek der eeuwen stapten als zware monsters door zijn teere jeugd; de starre leerèn van zijn volk. vertrapten, in zijn jong hart, 't kiemen van levensvreugd.

Maar het ontwaken kwam; het blijde, lichte uit donk ren droom van 'uitgeworpenheid : tot hem verschenen nieuwe aangezichten en een nieuw. hart lag over ze gespreid.

Verachting stak niet naar hem uit hun oogen, afkeer norschte niet op uit hunne stem; een wereld van broederlijk medédoogen ontsloot zich hem.

\

Sluiten