Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die heeft de roest uit zijn ziel geslepen, en de smetten uit zijn bloed-* gezeefd.

O schoonheid die ontbloeit over d'aarde nu, schoonheid van stijgen uit afgrond naar licht, er is door de tijden geen groot're dan u: gij hebt een goddelijk aangezicht.

EEN STEM UIT HET KOOR.

Zingt over hem de blijde wijze,

de blinkende wijze, waar zege door blauwt;

hij is een deel van het groote rijzen,

hij heeft de toekomst mee opgebouwd.

DE JONGELING.

Toen het gevaar kwam, greep hij naar een wapen en ging de makkers voor in d'open straat; de beest'ge driften, die in 't menschdier slapen laaiden hen toe uit 't vertrokken gelaat

der plund'raars. Tegen hun benden die loeiden trok op der jongelingen kleine stoet en in hun manlijke harten ontbloeide de donk're roos van stervensmoed.

O purp re roos, hoe weerkaatste uw verven de vlammen-weerschijn op hun wang toen zij, aanheffende den vrijheidszang, zich schaarden, om strijdend te sterven. . . .

Zoet flitste een zekerheid door al zijn zinnen en de keten die hij gesleept had, viel neer aan zijn voeten; zoet voelde zijn ziel in haarzelve het nieuw leven beginnen

van heel zijn volk. Een leven van de moet der slaafschheid vrij en van al haar toehooren.

Sluiten