Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cue nu net nachtspook van veel zorg en twijrel [dat loerde om de hoeken onzer feestlijk- t. bewimpelde gedachtestad altijd,] verstrooit als daag'raad zwarte droomgezichten?

O nu eerst aadmen onze longen vrij

Hoe arm zijn woorden voor het welig spruiten en uitschieten der jonge dankbaarheid die. u zou willen beranken met duizend broederlijkheden. — [O dat onze dooden uw woorden hooren konde'. Ach, konden zij één oogwenk maar ontwaken, zien welk heerlijk gewas opbeurt zijn goudblinkende vruchten daar waar hun bloed drenkte de dorre aarde: de zoete vrucht der solidariteit;

rijpt wijl het vloot, rijk'lijk.] (tot soldaat) O laat uw blik,

mijn makker, nu niet langer schuw uitwijken

de warme blikken tot u overstralend:

't zijn makkers die zich verdringen om u,

uw hand te drukken. Ge zijt geen verstootne

nu meer, gij hoort nu tot de onzen: veilig

zijt g aan onze borst, voor de klamme vingers

die 't verleden uitstrekt naar u. — Komt broeders,

laat ons 'gaan tot die kameraden, hun

te brengen wat hun arme verfomfaaide

zielen opkweeken zal als morgenlicht:'

zachtstralend woord van vrijheid, van verlossing

uit het donk're hol hunner levens Komt.

SOLDAAT {verbaasd).

Zijt gij Maria, die in de fabrieken

de mannen toesprak, en weghaaldet wie

werkte in de staking? Een duivelin waart gij,

zeiden zij, dié gezworen had te drinken

't bloed van des tzaren zoontje. ... en spreekt zoo zacht

tot mij, en vat mijn hand, zacht als een zuster,

Sluiten