Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer jong en rein; vrouwen weenen, uit oogen die stil-gelukkig als van bruiden zijn. . . . ] Woorden ruischen, zacht als muziek. Op warme stroom van broederlijkheid vliet elke harde pn donk're herinnering heen

[MIJNWERKER.

O tijd

van wond'ren! Uw bloesem zendt uit zoo rijke, zoo macht'ge geur, dat onze arme zielen duiz'len, van overgroote vreugd bedwelmd. O dat geluk, als een jong kindje, vindt zijn zoete last te dragen nu zoo zwak onze ongewende armen, zoo veel jaren toch door het torschen van den nood gestaald! Is twaar? Heeft niet het brein zijn droomverlangens vervlochten tot een stemmenweefsel, foppend mijn oude ooren met zijn glinst'rend web? Neen: het is waar. Op uw helle gezichten, in uw stralende blikken lees ik het. t Is waar: mijn oude oogen zullen zien, het arme gebogen volk zich oprichten,, begeerig snuiven vrijheids zachte lucht. O hoeveel maal riep ik den dood niet aan, riep hem mij. weg te nemen, want mijn hart was het zat, onrecht en onderdrukking in de opgeblazen aangezichten te zien. En nu — nu stooft zóó zacht die opgaande zon van geluk mijn oude dorre leden, mijn oude hart, dat als een gierigaard zijn schat, ik 't restje mijner dagen wel zou willen hoeden, hun blinkende schijven draaien tusschen mijn vingers, vergewissend mij, dat ze er nog zijn. — O kinderen, mijn kinderen, hoe zal uw jeugd nu welig

Sluiten