Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Makkers oud, wit-gebaard, die hebt getoefd op d'aard

de meeste uwer dagen,

o moogt ge leven om te zien

uw dochters kind'ren dragen,

helden, voort te zetten den strijd.

Moogt g'in hun oogen nieuw zien dageraden

hoop die nu in wanhoop verglijdt,

hooren moeders met lied'ren

de gevallenen eerend

slaapwiegen kleine' op wie wachte' aan kim groote daden.

Tranengedrenkte jeugd, wien bloem van Jevensvreugd

nu ontzinkt uit de moede handen,

o moogt ge nooit in gif zoeken vergetelheid

voor uw brandende smart!

Nooit roes van\ zinbedwelmend lijfsgenot

u ontvoere' aan de donk're heil'ge stranden

waar nu tusschen hoop en herinnering

een wijl hongert en derft uw hart!

Dat veel-vertakte haat, als uit de voor het zaad,

rijze uit de donkre velden die 't

geweld nu openrijt, diep, met zijn kouter;

de vlam der opstandigheid niet

uitdoove onder druk, maar sla naar binnen,

vertere in 't hart wat daar

nog schuilt aan sleur en slaafschheid,

en dan uitslaand, opnieuw zijn reinigende loop beginne.

[Dat vijands veinzenskunst, noch bedrieglijke gunst

van meesters ooit vinde open

uw ooren, of bereid uw hart

zijn feilen haat te doopen

in t bad dat dooft dien purp'ren gloed.

O slage list nooit, waar geweld in faalde!

De meester komt, met valsche tong en zoet.

Sluiten