Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het onderwijs in Aardrijkskunde aan de toekomstige kweekscholen, door H. Marwitz.

De aardrijkskunde draagt een dualistisch karakter; zij is natuurwetenschap voor zoover zij de landschappen en zeebekkens beschrijft als morphologische eenheden der aardoppervlakte, die onder invloed van inwendige en uitwendige krachten zijn ontstaan en steeds nog zich vervormen; zij is geesteswetenschap voor zoover zij tracht een beeld te ontwerpen van de tegenwoordige menschheid in haar cultureelen, socialen en politieken samenhang. Er is den laatsten tijd een streven merkbaar beide vakken te scheiden, zelfs voor beide afzonderlijk docenten op te leiden. In ons land wordt het vak vaak gedoceerd door literatoren, terwijl ook de opleiding voor de akte M. O. tot voor kort hoofdzakelijk in literaire richting zich bewoog; een en ander maakt genoemd streven misschien begrijpelijk, m.i is het echter voor het vak als zoodanig noodlottig. De groote waarde van het vak als studie-eenheid ligt juist op het terrein, dat de twee onderdeelen verbindt: de invloeden van het landschap op den mensch en van den mensch op het landschap, de kennis van het milieu dus. Men geve daarom allen leeraren meer natuurwetenschappelijke vorming en late hen vrij daarna zich in bepaalde richting te specialiseeren.

Bij het onderwijs in de aardrijkskunde kan men uitgaan van de afzonderlijke landen, voor de natuurkundige beschrijving dan meestal in natuurlijke landschappen verdeeld, zoodat de speciale landschapsbeschrijving de basis wordt. De politieke eenheid (de staat) vormt dan het raam voor de aardrijkskunde van den mensch. Het verband tusschen land en volk kan op deze wijze gemakkelijk worden gelegd ; het nadeel der methode is echter, dat de boomen niet altijd tot een bosch worden, tenzij de leeraar zorg draagt de algemeene gezichtspunten te belichten, door van het speciale op te klimmen tot het algemeene.

Een andere methode zou zijn, uit te gaan van de algemeene aardrijkskunde de geographische verspreiding der verschijnselen in 't oog te vatten en daarbij naar behoefte zich te verdiepen in de bovenbedoelde speciale Landerkunde", waarbij men dus van het algemeene afdaalt naar het speciale Hierbij zal de leeraar het bovenbedoeld verband tusschen land en volk

Sluiten