Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kon Anskarius goed zien, want zoo verblindend waren het licht en de klaarheid niet. Toen Anskarius zich by de koren gevoegd had, zei een zoete stem tot hem: „Ga, en gy zult -als martelaar terugkomen." Dan begonnen alle heiligen lofzangen te zingen met opgeheven hoofden isubmissis vultibus). Wie tot hem gesproken bad, zag hy niet. Daarna brachten zyne twee geleiders hem terug; zy spraken geen woord, zagen hem echter met eene genegenheid aan, als alleen eene moeder dit met haar kind doen kan. Tot het léven teruggekomen, vertelde Anskarius, wat hy aanschouwd had, ofschoon hy niet alles kon uitdrukken, wat hy gevoeld of gezien had. Zyn leven werd al strenger en strenger, want hy wilde als martelaar sterven. Het is onnoodig de uiterlijke verwantschap van dit visioen met de andere te doen uitkomen; het staat vooral onder den invloed der Openbaring en is nauw verwant met Salvius. Dmerlijk wijkt het hierin ai, dat van het vagevuur nauwelijks melding gemaakt wordt, de hel niet eens genoemd wordt, terwijl Anskarius met liefde uitweidt over de heerlijkheid des hemels, die echter met zeer onduidelijke kleuren geschetst wordt Anskarius heeft ook begrepen, dat men die heerlijkheid niet zoo stoffeiyk kan voorstellen als vóór hem gedaan werd. De ziel is iets onstoffeiyks, wordt van haar lichaam gescheiden na den dood, verliest daardoor allen uiterujken vorm en het schijnt ons thans wat ongerijmd toe ze te laten handelen en spreken, als het materieele lichaam; daarom zegt Anskarine blijkbaar, dat alles wat zich in den hemel bevindt niets Uchamelyks heeft; hy voelt de tegenwoordigheid des Heeren, hoort zyne stem, maar weet niet wie of hoe hy is: „Hy is in hen en zij in Hem." Den lof verdient Anskarius dat hy hierin veel logischer is dan zijne voorgangers; duidelijk gevoelt hy de onmogelijkheid om het leven hiernamaals voor te stellen als het is: zijn stijl, zegt hy zelf, kan zulke grootedingen niet weergeven.

Op de negende eeuw volgt in de geschiedenis van onze visioenen eene periode van stilstand. In den loop der twee volgende eeuwen valt tot nog toe geen buitengewoon belangrijk werk aan te wijzen. De meeste dier visioenen zyn van weinig of geen letter.

Sluiten