Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Subsidieering van Instellingen van Weldadigheid van Overheidswege."

(Is het wenschelijk de in art. 14 der Armenwet voorgeschreven beperking te laten vervallen ?)

Prae-advies uitgebracht door Prof. Mr. D. P. D. FAB1US.

Hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Art. 14 der Armenwet bepaalt, dat aan andere dan burgerlijke instellingen van weldadigheid subsidies uit gemeentefondsen niet verstrekt wordenj dan „in zeer bijzondere gevallen", bij een „met redenen omkleed" besluit van den gemeenteraad, dat aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen is, en waarop vooraf de armenraad wordt gehoord.

Voorts mogen de subsidies telkens voor niet langer dan één jaar worden verleend, en slechts, indien is aangetoond, dat de verzorging van armen en het toezicht op de ondersteunden op doeltreffende wijze geschiedt; dat, blijkens de rekening en verantwoording van de inkomsten en de uitgaven der instelling over het laatst afgeloopen, en de begrooting voor het, loopende of het volgende dienstjaar, de subsidie „volstrekt noodzakelijk" is; dat ten behoeve van de instelling „op redelijke wijze" is en wordt bijgedragen „door hen, van wie overeenkomstig haar aard in den regel bijdragen verwacht kunnen worden", en dat haar bestuur „beeft gedaan en blijft doen, wat in zijn vermogen is", om die bijdragen te doen toenemen; dat het bestuur der instelling overeenkomstig haren aard en hare bestemming aan zijne verplichtingen „naar vermogen" voldoet; dat de instelling, indien een armenraad ter plaatse, waar zij gevestigd is, bestaat „en zij tot vertegenwoordiging daarin gerechtigd is, van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt."

Sluiten