Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiden aard verbonden. Of echter in den toestand, waarin wij ons te dezen aanzien, sedert eene zeer lange reeks van jaren, hier te lande bevinden, de subsidiën geheel voor afschaffing vatbaar zijn, is meer dan twijfelachtig. Indien men hierop niet bevestigend durft antwoorden, moet de wet strekken om dit noodzakelijk kwaad voor de toekomst en zoolang het niet wel geheel kan worden weggenomen, binnen bepaalde grenzen te beperken." t

Schier woordelijk vindt men dit betoog terug in de Memorie van toelichting bij het ontwerp door Minister Van Eeenen ingediend, waaruit de wet van 1854 is voortgekomen.

Blijkens het Voorloopig Verslag der Commissie van Rapporteurs was ook de Tweede Kamer in de afdeelingen1) schier eenparig tegen het verleenen van subsidiën gekant, en bestond in hoofdzaak slechts verschil over de vraag, of daarmee aanstonds ■ moest worden opgehouden; en over deze, of het ontwerp wel voldoenden waarborg bevatte tegen het zich uitbreiden van wat bijna algemeen veroordeeld werd.

Nadat in de algemeene beschouwingen van het Verslag enkele opmerkingen te dezer zake waren gemaakt, wordt dit punt nader behandeld bij de bespreking van het vierde hoofdstuk (artt. 58—60), dat aan de subsidiën gewijd was. Men leest daar het volgende: „De groote meerderheid vond hel onnoodig om bij dit onderdeel van het wetsontwerp weder te treden in een breedvoerig verjtoog van de verderfelijke werking van het subsidiestelsel. Het onderwerp is reeds zoo dikwijls besproken en zoo herhaaldelijk van alle zijden bezien, ook in de vorige verslagen van deze Kamer uitgegaan2),

1) Bijlagen enz., zitting 1853/54, bl. 545 en volgg.

2) Zoo las men in het Voorloopig Verslag der Commissie van Rapporteurs over het eerste ontwerp-Armenwet van Thorbecke, dat de voorgedragen wet de strekking had, „het heillooze subsidie-stelsel, dat te gelijk de diakonien in eenen afhankelijken toestand plaatst en voor de oefening eener op goede grondslagen gevestigde, binnen de vereischte grenzen beperkte armenzorg zoo nadeelig werkt, allengs af te schaften. (Bijlagen enz., zitting 1851/52, bl. 939. fen voorts ad art. 78 en volgg.): „Het stelsel van het subsidieerèn der diakonien uit de fondsen der burgerlijke gemeente heeft zulke nadeelige gevolgen na zich gesleept, en is zoo algemeen door de deskundigen veroordeeld,

Sluiten