Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het nu genoeg uitgemaakt kan worden beschouwd, dat het beginsel van subsidiering in strijd is met het algemeen belang en op de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid een zeer nadeeligen invloed uitoefent. Zij was het dus ten volle met de Regering eens dat „de subsidies niet anders dan als een noodzakelijk kwaad beschouwd £n zooveel mogelijk behooren beperkt te worden." Slechts enkelen waren van oordeel dat hier geen sprake moest zijn van beperking, maar wel van dadelijke afschaffing van de subsidiën. Het zou, ja in den. aanvang menige stoornis te weeg brengen, maar om daarin te voorzien doen zich onderscheidene middelen aan de hand. Het nuttige gevolg van eene dadelijke afschaffing zou echter zijn, dat het stelsel met zijne verkeerde gevolgen zal zijn verdwenen en dat de minder gegoede diakonien spoedig door den liefdadigen zin der ingezetenen in staat zullen worden gebragt aan hare roeping te voldoen.

„De meerderheid meende echter, dat door dezen „stouten grap" te veel belangen in gevaar gebragt en te groote stoornis en verwarring zouden verwekt worden. Zij koesterde eene betere verwachting van eene trapsgewijze afschaffing der subsidien. De eenige vraag welke hier derhalve voor haar te beantwoorden viel was, of zij in het wets-ontwerp al of niet genoeg beperkt werden ? Hierop volgde echter een ontkennend antwoord."

Inderdaad genoten de bijzondere instellingen van weldadigheid in de eerste helft der vorige eeuw in steeds toenemende mate subsidie van de gemeentebesturen.

In 1829 bedroeg het totaal der subsidiën f 1.194.203. In 1847 was aan Besturen voor huiszittende armen uitgekeerd : f 1.996.636.23. Daarna vindt men eenige vermindering. Zoo geeft het Verslag over de verrigtingen aangaande het Armbestuur over 1851 1), waaraan laatstgenoemd cijfer is ontleend, deze opgaven:

dat men de strekking der artikelen dezer afdeeling om die subsidien en het verleenen daarvan zooveel mogelijk te beperken, wel niet anders dan goedkeuren kan." (t. a. p. bl. 947).

1) Bijlagen enz., zitting 1858/54, bl. 545 en volgg.

Sluiten