Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kamer der Staten-Generaal op 12 Mei 1854 uit het „merkwaardig" verslag door den heer Beucker Andreae, burgemeester van Leeuwarden, uitgebracht op het vijfde landhuishoudkundig congres te Leiden1), het volgende aan: „Eenstaat hierachter gevoegd zal doen zien, dat het getal bedeelden, die elders ook voor een groot gedeelte losse arbeiders waren, bij administratien, die subsidien ontvangen, hetgeen nog niet bij allen het geval is, in sommige grietenijen op eene ontzettende wijze is toegenomen, en de jaarlijksche kosten daaraan besteed tot eene hoogte opgevoerd zijn, die alle denkbeeld te boven gaat, en wanneer geene voorziening eerstdaags ten dezen opzigte plaats hebbe, moet het niemand verwonderen, dat eenmaal Ierlands toestand teruggevonden wordt in sommige grietenijen van Friesland. Wanneer men althans met cijfers bewezen ziet, dat de subsidiën, volgens de begrooting over de grietenij Oostdongeradeel van f 21.750 binnen vier jaren tot f 48.235 geklommen zijn, zoodat iemand die plm. f 50.000 bezittingen had, tot den omslag uit die subsidien voortvloeiende »f 2200 in één jaar belasting moest betalen, dan is verder bewys overbodig te achten.

„Een predikant die circa f 600 tractement of inkomen had, moest in 1848 f 53 personele belasting of armgeld in Westdongeradeel betalen, en is het dan te verwonderen, dat iemand, die nog iets te verliezen heelt, liever zijn geboorte- en woonplaats, ja, soms zijn vaderland verlaat, dan even arm te worden, als de arme, door voor hem te contribueeren en geheel en al vernietigd te worden?" 2)

En de spreker voegde zijnerzijds aan deze aanhaling toe : „Volgens den staat over het jaar 1849 bedroeg het getal der bedeelden bij de gecombineerde administratiën in Friesland 30.423 personen en werden nagenoeg vier en een halve ton gouds aan subsidien bij wijze van hoofdelijk en omslag voor het armwezen besteed."

1) Ook Jhr. Mr. De Bosch Kempeb spreekt in zijn Geschiedkundig onderzoek naar de armoede in ons Vaderland enz. (1851), als bekroonde verhandeling uitgegeven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, bl. 301, over dit „zeer belangrijke Rapport," enz.

2) T. a. p., blz. 815.

Sluiten