Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de beraadslagingen over hoofdstuk IV van het ontwerp Armenwet op 22 Mei 1854 gevoerd) waren de bezwaren tegen de gemeentelijke subsidiën dan ook schering en inslag, zij het al, dat zij bestreden werden uit aan elkaar geheel tegenovergestelde standpunten.

Thorbecke, als eerste spreker over dit onderwerp, deed het als overtuigde voorstander van openbare armenzorg '). Hij was van oordeel, dat het verleenen van subsidie juist kon zijn, wanneer het betrof gestichten of instellingen, voor eene bijzondere soort van armen of armverzorging bestemd. Zoodanig subsidie kon strekken, om het bijzondere doel der instelling, dat van algemeen belang is, en op eene andere wijze minder goed getroffen kan worden, te bereiken. Maar subsidie aan besturen van algemeene diakonale armenzorg, gelijk het ontwerp die mogelijk maakte, achtte hij te kunnen noemen „een afkoop, eene aanbesteding der armen of hunner verzorging met oogmerk om er zich van te ontslaan" enz. Zij waren voor hem „te eenen maal onaannemelijk; hetzij van den kant der publieke hetzij van die der kerkelijke armenzorg beschouwd." Van den kant der Overheid, omdat deze zijns inziens „niet door kerkelijke armbesturen, naar hunne inzigten, met publiek geld (mocht) laten doen wat hare taak is. Hare armverzorging," dus ging hij voort, „binnen welken kring ook bepaald, hoe naauw ook beperkt, moet zelfstandig zijn. Zij doe öf niets öf hetgeen zij aan de armen besteedt, worde volgens haar eigen stelsel, volgens hare eigene regels besteed." Het hoofdgebied der algemeene armenzorg, dat volgens hem betrof den „overvloed van werkzoekende arbeiders," vorderde „het beleid der overheid, en bovenal strenge eenheid zoowel van beginsel als van bestuur" enz. Reeds werd dit beginsel in gevaar gebracht door de bepaling, dat de ondersteuning van de armen werd „overgelaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid." En naast die bepaling zou het geven van subsidiën „tot geheele verwaarloozing voeren." Ook omdat de diaconieën, in tegenstelling met wat bij de burgerlijke besturen in den regel het geval was, gemeenlijk op armverzorging

1) T a. p., blz. 916/17.

Sluiten