Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld waren. Men moest er zich van onthouden den werkkring van particuliere armenzorg „door toevoeging van publieke middelen uit te breiden." Wat is — dus vraagde hij — „subsidie anders dan onnatuurlijke kunstige uitbreiding van diakonien en andere particuliere armbesturen, ten nadeele eener zorg, welke de overheid, naar mijn meening, nooit uit de handen mag geven?"

Maar ook van den kant der kerkelijke armenverzorging achtte hij deze subsidiën verwerpelijk. Subsidiën toch „doen de kerkelijke armenverzorging verbasteren, omdat zij haar uit eene andere dan hare eigene levensbron voeden. Het kerkelijke armbestuur ontaardt, wanneer zij, welke de uitdeelers van de gaven eener vrijwillige liefdadigheid moeten zijn, hunne middelen uit de publieke kas, door belastingen gevuld, putten."

Voor Thobbecke was armoede in hoofdzaak een verschijnsel, dat zich bij de arbeidende klasse voordeed in verband met de veranderingen in de nijverheid, die betrekking tusschen kapitaal en arbeid grootelijks hadden veranderd. De Staat alleen kon hier leiding geven ij. Want „het bestaan der armrede, de leiding der armenzorg of hare verwaarloozing grijpen op duizenderlei manieren in de huishouding van den Staat;" enz. 2).

Thobbecke was eigenlijk afkeerig van alle armenzorg door diaconieën of andere instellingen van weldadigheid. Met name moesten de diaconieën het bij hem ontgelden. Zoo zeide hij voorts: „Indien de kerkelijke bedeeling hoofdzakelijk bestaat in het 'geven van aalmoezen en het geven van aalmoezen de zorgeloosheid, de luiheid, de armoede voedt; indien een kerkelijk stelsel strekt om regelmatig in de behoeften, die

1) Mr. Wintoens noemde dit beginsel „het socialistisch beginsel; hdt beschouwt den Staat als den vader van het volk, die al zijne belangen moet ter harte nemen; dat is de staat van Louis Blanc: „1'Etat qui se charge de règler la destinée de tous les citoyens et d« dinger volontés individuelles;" die de strenge eenheid van beginsel en bestuur der armenzorg gebiedt; die de verdeeling van de vermogens naar billijkheid regelt; die zich als eene maatschap, als eene vennootschap en de ingezetenen als soeii beschouwt." (T. a. p., bl. 919).

2) T. a. p., bl. 817.

Sluiten