Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit gebrek aan werk of uit lage dagloonen ontstaan, te voorzien en daardoor de werking der natuurlijke wetten, waarvan het bestaan der arbeidende klassen afhangen, wordt gestoord, moet, mag de Staat dat lijdelijk aanzien?"

„Overlaten, aan wie? Aan vereenigingen — ik wil op haar achtingwaardig karakter niets afdingen — zonder samenhang of eenparig beleid, wier doel is, niet de armoede in het algemeen tegen te gaan; maar slechts de individuen,'die zij in een beperkten kring op het oog hebben, menschlievend en uit een godsdienstig beginsel te helpen." *)

De Kerk mist z. i. wat voor goede armenzorg noodzakelijk is: „De roeping der Kerk kan niet zijn de armenzorg staathuishoudkundig te behandelen; en dat zij die behandeling vordert, zal niet worden ontkend."

Door anderen werd het eerste betwist. Mr. Slokt tot

1) Dat de kerkelijke armenzorg hoofdzakelijk zou bestaan in het geven van aalmoezen, is naar haren aard stellig onhoudbaar. Juist omtrent de openbare armenzorg schreef destijds.de heer J. H. C. Heyse in Stemmen over Staatkundige en Maatschappelijke Vraagstukken, No. 5, Armverzorging (1877) blz. 25, hoezeer hij vele bezwaren tegen kerkelijke armenzorg had, na er op gewezen te hebben, dat bij openbare armenzorg de liefdadigheid ontbreekt: „Ook andere kenmerken, die eene goede armverzorging eigen behooren te wezen, dat zg hun raad geeft en niet enkel met daad bijstaat; dat zij zijne zelfstandigheid zoekt te bevorderen en plichtsgevoel benevens besef van eigenwaarde tracht te wekken, worden, uit den aard der zaak bij de armenzorg, wanneer zg publieke dienst is geworden, gemist," enz.

En 12 Mei 1854 zeide Groen van Prinsterer in de Tweede Kamer der Staten-Generaal omtrent de kerkelijke liefdadigheid: „de Kerk wordt somtijds te veel beschouwd enkel als een trechter waardoor het geld voor de armbedeeling toevloeit; men bedenkt te weinig dat van haar invloed, niet slechts vermeerdering van gelden ter bedeeling, maar vooral ook vermindering van het cijfer der bedetlden mag worden verwacht. Ik verheug nüj, dat de Kerk ook door mijne vrienden in een geheel ander licht is gesteld. Wij spreken van de Kerk, aan welke de woorden des levens zijn toevertrouwd; van de Christelijke Kerk in al haren omvang en historisch bestaan; van de Kerk die elke ondeugd bestrijdt, waardoor de armoede gevoed wordt, elke deugd aanbeveelt waardoor de armoede wordt verzacht, die niet enkel voorschriften geeft' maar de kracht aanwast om ze in practijk te kunnen brengen; die elke bron opent van eigen veerkracht en onderling hulpbetoon. De geschie-

Sluiten