Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oldhuis verklaarde: „ik zie volstrekt geene reden, waarom ook niet de diakenen op staathuishoudkundige grondenhunne bedeelingen zouden kunnen doen." ') En Mr. van der Brugghen zeide: „ik wensch te vernemen, waarom men die gezonde staathuishoudkunde en de armenzorg aan de kerkelijke liefdadigheid zou moeten ontzeggen? Waarom zouden zij, waarom zouden bijzondere instellingen niet even goed in staat zijn om die wetenschap der staathuishoudkunde, die ik hoog acht, te beoefenen en in practijk te brengen en met even goed gevolg? Ik zie geene enkele reden, waarom de diakenen niet even goed met de heilzame voorschriften der staathuishoudkunde zoude(n?) kunnen bekend zijn en die toepassen, als de Minister, die in zijn kabinet op het Binnenhof zit, en de ambtenaren, die onder zijne bevelen staan. Ik zie niet in waarom die wetenschap alleen is wèggelegd voor de Regering, en niet kan toekomen aan andere personen, die met de verzorging der armen zijn belast. Die wetenschap is toch een algemeen eigendom, en wordt zij méér en méér als zoodanig erkend en daarom ook toegepast, dan zal de kerkelijke en andere liefdadigheid niet alleen ruim en liefderijk, maar ook verstandig en genezend kunnen werken. Ik durf mij ook hier op de ondervinding beroepen, op eenen naam, die dezer dagen reeds meermalen hier genoemd is, op Chalmers, een man die allen lof en alle hoogachting verdient, om de liefde waarmede hij zich de zaak der armen heeft aangetrokken, maar die tevens niet minder te achten is om het verstand en de wijsheid, waarmede hij de armenverzorging op staathuishoudkundige gronden heeft toegepast." 2)

denis der Kerk heeft antecedenten waaruit blijkt, dat op haar steun, wanneer ze in hare ontwikkeling niet gestuit wordt, rekening kan worden gemaakt. Zij heeft de beschaafde-wereld met gedenkteekenen van haar vermogen overdekt; terwijl de wetteüjke liefdadigheid van het laatste honderdjarig tijdvak ons voornamelijk iret organisatien op het papier verrijkt heeft." (Handd., zitting 1858/54, blz. 820).

Zoo oordeelde Gboen van Peinstebee over de Kerk, wanneer zymhare ontwikkeling niet gutuit wordt. Gelijk z.i. wèl geschiedde door de orgasatie van 1816 voor de Gereformeerde Kerken.

1) T. a. p., blz. 816.

2) T. a. p., blz. 817.

Sluiten