Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wier bestuur in dat geval echter vrij bleef van de verplichting om een besluit, waarbij subsidie gegeven werd, met redenen te omkleeden. Dit amendement werd echter met 55 tegen 10 stemmen verworpen.

En was door verschillende sprekers de wenschelijkheid betoogd, dat de bestaande subsidiën zouden slinken1),—-Mr.EtouT wilde in die lijn zien bepaald, dat die subsidiën tot 1 Jan. 1862 konden behouden blijven met dien verstande, dat zij jaarlijks met een zevende verminderd werden. Maar het daartoe strekkende, op art. 70 voorgestelde amendement viel met 54 stemmen tegen 11.

Trots de verwerping van deze amendementen mag worden gezegd, dat de veroordeeling van het subsidiestelsel vrij algemeen was, terwijl weinig ter zake doet het overigens eenigszins vreemde verschijnsel, dat telkens over subsidien van den Staat werd gesproken, hoezeer in het wetsontwerp alleen van subsidiën door gemeenten te verleenen, werd gerept.

En waarin school het voorname bezwaar tegen die subsidiën ?

Veilig mag worden verklaard, dat de ernstigste bedenking voortkwam uit de vrees, dat de subsidiën nadeeligen invloed op de liefdadigheid zouden oefenen, evenals vooral uit dit motief de bepaling van art. 21 bestreden werd, die wel aan burgerlijke besturen verbood onderstand aan armen të verleenen, zoo zij zich niet voor zooveel mogelijk verzekerd hadden, dat dezen dien niet van kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid konden ontvangen, en ook dan slechts bij volstrekte onvermijdelijkheid, maar daarin toch de bevoegdheid verleende, in zoodanige gevallen onderstand te schenken.

Het was dit bezwaar, hetwelk den lOden Mei door Mr. van Lynden aldus werd ontwikkeld: „De eerste bron die door het openlijk en regelmatig ondersteunen der armen van staatswege, op vele plaatsen is opgedroogd, is de spaarzaamheid, de zucht om in eigen behoeften te voorzien; het beginsel van

1) Buiten de Staten-Generaal was reeds in 1850 daarop aangedrongen door Mr. Boer, toen hij vraagde „aanwijzing eener trapsgewijze vermindering, waaraan die subsidiën zullen onderhevig zijn, tot het tijdstip, dat ze geheel ophouden." (Zie nujn Sociale Vraagatükhml^Wfó), bl. 326).

Sluiten