Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfbehoud, zoo krachtig in den mensch; maar dat verlamd wordt door de overtuiging, dat de openbare armmeester gereed staat met eene geldelijke ondersteuning.

„De tweede bron, die gestopt wordt is de belangstelling van vrienden en betrekkingen. Waar den arme in den regel geen uitzigt op ondersteuning van staatswege gegeven is, daar openbaart zich de medelijdende hulp van buren of naastbestaanden. Die hulp komt dikwijls op eene roerende wijze te voorschijn, en is omvattender dan men gewoonlijk denkt.

„De beste verzorgers der armen zijn de armen zeiven. Dit is de uitspraak van iemand die zich veel met armen had bezig gehouden, en die in deze materie wel als een deskundige mag genoemd worden, van den te vroeg gestorven Chalmers. Er ligt in het menschelijk hart een grpote genegenheid voor een lotgenoot; en de armoede is vernuftig in het aanbrengen van leniging in behoeften, die zij bij ervaring kent. De openbare bedeeling dooft die begeerte, maakt de banden los, die gemeenschappelijke nood gelegd had, en doet alle gevoel van verantwoordelijkheid tusschen de armen onderling verdwijnen.

„Een derde bron, die ophoudt te vloeijen, is het medelijden van den rijke met den arme. Waar over een domicilie van onderstand getwist en de uitspraak der overheid kan gevraagd worden, daar wordt het werk der liefde een werk van dwang, en verdwijnt alle denkbeeld van een blijmoedig geven. Men geeft gedwongen, en ontvangt als een regt, wat zonder dat Veel ruimer en overvloediger zou geweest zijn.

„En dit alles is waar, zelfs zonder eenigen invloed aan het Christendom hierin toe te kennen; het ligt in de natuur van het menschelijk hart; zoodat eene openbare armenbedeeling dezelfde nadeelige gevolgen zou hebben in Konstantinopel als hier. Doch nog veel zwaarder wegen de aangevoerde argumenten in een Christelijk land onder eene Christelijke bevolking." 1)

In een welsprekend betoog ontwikkelde Mr. de Kempenaee den llden Mei dezelfde gedachte, toen hij aldus sprak: „De weldadigheid heeft eene overhellende geneigdheid tot werke-

1) T. a. p., bl. 783.

Sluiten