Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze wet. Een steunpunt, en het behoorde zelfs geen aanrakingspunt te zijn." *)

En verder: „uwe wet is de vorige wet, eenigzins verzacht, hetzelfde kader, dezelfde vormen, dezelfde inhoud; eenige fragmenten zijn er uitgerukt;" enz. 2).

Mr. Sloet tot Oldhuis zag de „wettelijke liefdadigheid in den geest van dit ontwerp en in artt. 21—25 duidelijk uitgedrukt." 3)

Mr. Mackay zeide kortweg, dat dit wetsontwerp inhield staatsbedeeling „in normalen vorm en wèl georganiseerd."4)

Eindelijk waren er leden, waaronder de heer Sander 5), die in het ontwerp schoone harmonie vond tusschen de bepalingen over het burgerlijk armbestuur en die, welke de particuliere en de kerkelijke liefdadigheid betroffen.

De Regeering wenschte het ontwerp als een maatregel van overgang; als eene regeling, die ten doel had de eigenlijke armenzorg meer en meer over te brengen naar het terrein van particulieren en Kerk. De armenzorg der Overheid was alleen politiezorg6). Ook vindt men in de discussiën die gedachte van overgang tal van malen terug. Maar ook ten betooge, dat men, werd dit ontwerp tot wet verheven, juist hoe langer hoe meer tot openbare armenzorg zou overgaan.

Aldus Mr. de Kempenaer, die, na gezegd te hebben, dat hij gehoord had, de voordracht aanprijzen als overgangsmaatregel, opmerkte: „Overgang, waartoe? Tot meer of tot minder, om te rijzen of om te dalen, om vooruit te gaan, of om terug te treden? Dat middel, Mijne Heeren, is geschikt om te stijgen, om op den verkeerden weg verder voort te gaan. Hier gaat men niet terug; hier daalt men niet; hier verlaat men niet het verkeerde pad; integendeel, het kwaad dat bestaat wordt besten-

1) T. a. p., bl. 810.

2) T. a. p., bl. 811.

3) T. a. p., bl. 814.

4) T. a. p., bl. 922.

5) T. a. p., bl. 875 en volgg.

6) Wat door sommigen geheeten werd het koopen van orde en rust door onderstand. Zoo door Mr. v. d. Brugghen en Groen van Prinsterer. Openbare armenzorg als politiezorg besprak ik in Armenzcrg (1912), bl. 55 en volgg.

Sluiten