Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inderdaad is na 1854 heel wat anders gezien dan een zich terugtrekken van alle onmiddellijke hemoeienis van de openbare besturen met de armverzorging; een voortdurend verminderen van geldelijke uitkeering uit de openbare kassen voor dit doel.

Onder en door de wet van 1854 heeft Thorbecke voor een goed deel gezegevierd, gelijk dat door Mr. Mackay e.a. werd voorspeld. Gelijk Jhr. Mr. Smissaert dan ook heeft verklaard, dat Minister Heemskerk, in de Armenwet van 1912 „zeer ver" stond van Groen van Prinsterer, zelfs dichter bij Thorbecke, wiens ontwerpen zoo hevige beweging hebben gewekt en tot den val van zijn Ministerie hebben meêge werkt, dan bij Van Reenen, den ontwerper van de wet van 1854 1).

In de wet van 1854 was de burgerlijke armenzorg met die van bijzondere instellingen en die van de Kerk samengevoegd. De onmogelijkheid van dergelijke samenvoeging heeft Paul Leroy-Beaulieu in deze woorden uitgesproken: „Quoiqu'on fasse, la philanthropie officielle, sous une forme obligatoire et générale, et la philanthropie privée et libre ne peuvent longtemps fonctionner en compagnie: 1'une doit miner 1'autre."

Ook zal daarbij de openbare armenzorg in den regel zijn aan de winnende hand. En juist daar deze gang van zaken bij de behandeling van de wet van 1854 voorspeld is, dient men voor het minst zeer voorzichtig te zijn, om niet voetstoots te beweren, dat de practijk met de armenwet van 1854 de noodzakelijkheid van ruimer openbare armenzorg zou hebben in het licht gesteld. Die wet was, naar toen gezegd werd, geenszins eene eerlijke proefneming met het overlaten van de armenzorg aan particulieren en Kerk. Zoodanige proefneming zou hebben geëischt een volledig uitsluiten van alle openbare armenzorg. Alleen dan — zoo is gezegd — had men te wachten de rijke ontplooiing van particulieren steun. Deed men dat niet, en men heeft het niet gedaan, dan miste men straks het recht tot de bewering, dat het vertrouwen op voldoenden steun van maatschappij en Kerk was beschaamd geworden. Veel eer legde men op die wijze zelf den grondslag

1) In het tijdschrift: Onze Eeuw, afl. v. Juni 1910, bl 154.

Sluiten