Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat in 1854 zich gelden deed, was hierin gelegen, dat op die wijze de liefdadigheid gevaar liep zich al-meer terug te trekken. Meer dan één spreker wees toen op het zeer gevoelige karakter der liefdadigheid, die tot rijk krachtsbetoon in staat is, doch onmiddellijk neiging heeft, zich terug te trekken, als zij weet, dat inspanning harerzijds overbodig is. Evenals Thorbecke zeide: „Indien de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid de eenige bron van armverzorging moet worden, hoe kan men die bron meer belemmeren dan wanneer men laat rekenen op subsidie der burgerlijke gemeente?"1)

Ook uit dien hoofde zouden, overeenkomstig het hiervoren aangehaalde woord van Paul Leroy-Beaulieu, openbare en particuliere armenzorg niet met elkander vereenigbaar zijn. Trouwens is dit niet zoo vreemd; wijst het zelfs niet stellig op iets verkeerds. Wordt he$ in eene diaconale kas ontbrekende door middelen uit de openbare kas aangevuld, dan verandert de gift aan de diaconie, gelijk Groen van Prinsterer het destijds uitdrukte, langs eenen omweg tot eene storting in, eene verlichting van de openbare kas. En zoo is alleszins begrijpelijk het door Mr. Elout meegedeelde geval, dat zich in den Haag had voorgedaan: „Toen de schatrijke heer Onderwater zijn einde voelde naderen, wilde hij aan de diakonie een legaat vermaken van f 100.000. Na de zaak wel overdacht te hebben, zeide hij tot een zijner vrienden van dat denkbeeld te zijn teruggekomen, omdat hij begreep dat dit niets anders zou zijn dan eene gift aan de stad, die toch verpligt is tusschen beide te komen, wanneer de diakonie niet bij machte is om in den bestaanden nood te voorzien."2)

In Amsterdam heeft ook de Vereeniging, die zich met kindervoeding op de scholen belastte, jaren achtereen zich tegen alle subsidie uit de gemeentelijke kas verzet uit overweging, dat daarvan teruggang van de particuliere bijdragen viel te duchten.

Ook voorzoover bijdragen van particulieren noodig zijn, waarbij niet het teere motief van liefdadigheid moet werken, Wordt toch de vrees voor hètzelfde gevolg van geldelijken steun uit de openbare kas gevreesd.

1) T. a. p., bl. 812.

2) T. a. p., bl. 916.

Sluiten