Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Echter komt mij voor, dat dergelijke scheiding in beginsel toch moeilijk is vol te houden. Elke instelling van weldadigheid moet voor die inrichting kosten maken. Subsidie daarvoor vergroot het voor uitkeering beschikbare bedrag. In zekeren zin zou even goed rechtstreeks subsidie daarvoor gegeven kunnen worden, opdat de instelling meer overhield voor hare inrichting. De kosten van eene instelling van weldadigheid vormen toch één geheel.

Daarbij komt nog eene overweging, die ook bij het volgende punt aan de orde is.

Misschien zou het bezwaar van den slechten invloed die van subsidiën uit de openbare kas te duchten valt, minder geweest zijn, indien het subsidie gegeven werd naar het alterum tantum.

Toch blijft ook dan nog de bedenking, dat men op deze wijze aan elkaar ongelijksoortige elementen samenvoegt; houdt men de moeilijkheid, dat de kas, waarin de subsidie gevloeid is, niet langer eene bron van weldadigheid kan heeten; terwijl in geenen deele de beteekenis "van wat nog tegen de subsidie is aan te voeren, vermindert.

Gaat het aan, dat openbare lichamen subsidie geven, zonder dat zij zich eenigermate inlaten met de wijze, waarop de verstrekte gelden worden besteed? Het is toch moeilijk op die vraag een toestemmend antwoord te geven. Gelijk reeds Thorbecke tegen de regeling van dit punt in de wet van 1854 te berde braoht, „dat aldus de Regering, die van alle toezigt op de kerkelijke en bijzondere armbesturen afstand doet, de publieke gelden in handen zal laten geven aan besturen van particuliere instellingen, om die gelden naar particuliere inzigten te verdeelen."1) Ook de heer Blaupot ten Cate achtte zoo iets ondenkbaar blijkens zijne woorden: „Die subsidie ontvangt kan en mag niet langer zelfstandig en onafhankelijk werken; die kan niet langer op eene en dezelfde lijn worden geplaatst met eene vrije instelling."2) In de wet van 1854 waren nog geene bepalingen opgenomen,

1) T. a. p., blz. 779. £

2) T. a. p., blz. 313.

Sluiten