Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die waarborgden invloed van het gemeentebestuur op het besteden van de gelden. De „volstrekte noodzakelijkheid" van het subsidie moest door de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven over het laatstafgeloopen en door de begrooting van het loopende of eerstvolgende dienstjaar worden aangetoond; voorts moest blijken, dat op billijke wijze was bijgedragen door hen, van wie in den regel bijdragen konden worden verwacht; eindelijk moest het bestuur der instelling naar vermogen aan zijne verplichtingen voldoen, onder welke te begrijpen waren die om opgaven te doen en dergelijke.

Naar het schijnt, is in de practijk van deze eischen weinig terecht gekomen. Zoo schreef de heer Heyse, na het verleenen van subsidie „zeer afkeurenswaardig" te hebben geheeten: „Kon aan de door de wet gestelde voorwaarden streng de hand worden gehouden, dan zouden de bezwaren minder gewichtig zijn in mijn oog; maar wij weten allen, dat die voorwaarden veelal een wassen neus zijn. Ik laat nu daar. dat velen het ver* gebracht hebben in onze dagen in de kunst der cijfergroepeering ; maar ik bid U, hoe is het mogelijk, een afdoend oordeel te vellen over rekening en begrooting, hier boven genoemd, als men den inwendigen toestand niet kent. En ook al ware dit zoo, welke waarborg bestaat er voor voldoening aan den tweeden eisch, dat billijk is bijgedragen door hen, van wien (wie?) bijdragen kunnen worden verwacht, en welke maatstaf zal hierbij worden gebruikt? De juiste voldoening aan die eischen blijkt in de practijk zóó onmogelijk te wezen, dat men stilzwijgend zich daarvan afmaakt en zich bepaalt tot het vorderen van eene rekening en begrooting. Eene memorie van toelichting wordt daarbij overgelegd; maar wij weten, dat het papier o! zoo geduldig is, en dat met veel omhaal van woorden soms bitter weinig gezegd wordt."1)

De Schrijver merkt daarna op: „De geest van onze armenwet gedoogt naar mijn inzien geenszins de bepaling der subsidiën; nu ook de praktijk tal van bezwaren daartegen oppert, is het

1) In het aangehaalde geschrift, bl. 29.

Sluiten