Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Snbsidieering van Instellingen van Weldadigheid van Overheidswege."

(Is het wenschelljk de in art. 14 der Armenwet voorgeschreven beperking te laten vervallen?)

Prae-advies uitgebracht door Mr. A. F. Baron VAN LYNUEN.

Volgens de artt. 59-61 van de wet van 1854 tot regeling van het armbestuur mochten geene subsidiën uit de fondsen van burgerlijke gemeenten aan besturen van instellingen van weldadigheid worden toegestaan, dan bij een met redenen omkleed besluit van den gemeenteraad. Bij dit besluit moest blijken, dat de subsidie volgens rekening en begrooting volstrekt noodzakelijk was; dafop eene billijke wijze was bijgedragen door hen, van wie, overeenkomstig den aard der instelling, in den regel bijdragen konden worden verwacht; en dat het bestuur der instelling, overeenkomstig haren aard en hare bestemming, aan zijne verplichting naar vermogen voldeed. De besluiten der gemeenteraden moesten worden medegedeeld aan Gedeputeerde Staten, die toe moesten zien, dat niet dan bij volstrekte onvermijdelijkheid subsidiën verleend werden en alle maatregelen waartoe zij bevoegd waren, moesten nemen om de vermindering er van te bevorderen.

Voor een inzicht in de ontwikkeling van de opvattingen ten aanzien van de subsidieering van overheidswege, is het nuttig kennis te nemen van de meeningen, waarvan blijk werd gegeven bij het tot stand brengen van genoemd wetsartikel. Blijkbaar maakte men zich ongerust over het toenemen van de subsidiën, waartegen men oudtijds minder schijnt te hebben opgezien. De subsidiën van de gemeenten waren in totaal, dus met inbegrip van die aan burgerlijke instellingen van weldadigheid, van f1194203.— in 1829 gestegen tot f1984750.— in 1848 en tot f2642000.— in 185o! Van de 2137 diaconieën of kerkelijke armbesturen op ultimo December 1848 ontvingen er 456 subsidie. Bij de verschillende

Sluiten