Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwerpen tot wettelijke regeling van het armbestuur stond de gedachte op den voorgrond, dat die subsidiën niet anders te beschouwen waren dan als een noodzakelijk kwaad, welks plotselinge opheffing weliswaar Onraadzaam scheen en zonder groote verwarring te stichten niet kon worden ondernomen, maar welks beperking althans de toeleg der wet moest zijn, ten einde allengs tot een toestand te geraken, waarin die subsidiën zouden kunnen worden gemist, of althans niet dan in buitengewone omstandigheden of voor geheel speciale doeleinden zouden verleend worden. Alle partijeD in de Tweede Kamer der Staten-Generaal stemden met de Regeering in, dat het vragen en verleenen van subsidiën zooveel mogelijk moest worden tegengegaan. Slechts enkelen meenden, dat, wanneer aan de kerkelijke en bijzondere armverzorging de voorkeur werd gegeven, de diaconieën en bijzondere instellingen in de handen van den Staat behoorden te zijn de werktuigen tot wering der armoede en tot ondersteuning van de armen, en dat, zóó beschouwd, er niets verwerpelijks in gelegen was, dat, wanneer die instellingen te kort schoten, de Staat haar bijsprong. De groote meerderheid die de verderfelijke werking van de subsidieering als genoegzaam uitgemaakt beschouwde, werd natuurlijk langs verschillende lijnen tot dat oordeel gevoerd. Die de armenzorg als eene publieke zaak, als een plicht der overheid beschouwden, zagen in het geven van subsidiën aan de kerkelijke of bijzondere armbesturen niet anders dan een afkoop van de taak, van den plicht, die in de eerste plaats op de overheid rustte en alleen door haar naar behooren kon worden vervuld. De voorstanders eener uitsluitend kerkelijke en bijzondere armverzorging verwachtten van het ontvangen van subsidie uit de openbare kassen, dat de kerkelijke weldadigheid geheel zou ontaarden, dat de bronnen dier weldadigheid zouden opdrogen en de instellingen in een van het openbaar gezag geheel afhankelijken toestand zouden geraken.

Thorbecke achtte blijkens eene redevoering van 22 Mei 1854 subsidie-ver leen ing alleen juist, wanneer zij betrof gestichten of instellingen, voor eene bijzondere soort van armen of armenverzorging bestemd. Zoodanig subsidie was eene hulp

Sluiten