Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om het bijzonder doel der instelling te kunnen bereiken; dewijl het van algemeen belang was, dat zij daartoe in staat bleef en het doel op eene andere wijze minder goed zou worden getroffen. Overigens sloot Thorbecke zich aan bij de gedachten over overheidsarmenzorg, uit ouderen tijd dateerende, het krachtigst uitgesproken in de Staatsregeling van 1798, en waaraan ook in opvolgende staatsregelingen, naast de erkenning der kerkelijke en particuliere armenzorg, ruim baan gelaten was. Het door den loop der maatschappelijke dingen steeds toegenomen inzicht in het verband tusschen de armoede en het bedrijfsleven, was ook. toen reeds niet zonder invloed. Het subsidiestelsel zou, geplaatst nevens het voorschrift, dat de ondersteuning der armen overgelaten wordt aan de kerkelijke en andere particuliere instellingen, volgens Thorbecke, een middel voor de overheid zijn om zich af te maken van de zorg, die zij in geen geval mocht verzaken: de zorg voor de klasse, ten aanzien van welke inzonderheid ongeregelde, toevallige, willekeurige liefdadigheid aanmoediging der armoede is. In het verbreken van het evenwicht tusschen de vraag en het aanbod van handenarbeid tengevolge van de nieuwe vormen, /de sprongen en proefnemingen der nijverheid en daaruit volgende verandering van de betrekking tusschen kapitaal en arbeid, zag Thorbecke het pauperisme van zijnen tijd. De staat had het welzijn, de ontwikkeling, de beschaving te behartigen van den talrijksten aan verarming blootgestelden stand zijner burgers. De staat had te zorgen voor den voorspoed, voor de ontwikkeling, voor de rechtsveiligheid van al zijne ingezetenen en van de behartiging van die zorg ten aanzien Van de talrijkste, de meest behoevende klasse was de armenzorg voor diezelfde klasse niet te scheiden. Thorbecke vreesde van het geven van subsidiën geheele verwaarloozing van dien plicht der overheid. „Wat is subsidie anders," zoo vraagt hij, „dan onnatuurlijke, kunstige uitbreiding van diaconieën en „andere particuliere armbesturen, ten nadeele eener zorg, „welke de overheid, naar mijne overtuiging, nooit uit de „handen mag geven?" Men gevoelt wel, dat onder die „talrijkste" klasse, over welks belangen hier gesproken wordt, samengevat zijn velen die thans het voorwerp zijn van de

Sluiten