Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„breiding der voorzorg, als sociale functie niet kan worden „gemist."

In de discussie wees Mr. Fentener van Veissingen er op 1), „dat, wanneer op den duur met dé armenzorg iets moet wor„den bereikt, die armenzorg zelve zich hoe langer hoe meer „heeft te doordringen van het besef, dat zij een maatschappelijk werk verricht, een maatsohappelijk werk, dat „zeker met liefde en met een warm hart moet worden ver„richt, maar waarbij men in de eerste plaats heeft te bekampen de groote euvelen der maatschappij. Wanneer onze ar^menzorg zich met anderè vormen van sociaal hulpbetoon, „waarmede zij in den grond één is, nauw verbindt en niet „angstvallig zich kunstmatige grenzen trekt, dan ben ik overtuigd, dat zij een groot maatschappelijk werk verricht en zij „in plaats van op een stigma zal kunnen rekenen op alge„meene waardeering."

Mevrouw Muller-Lulofs, die béslist afkeurde, dat de armenzorg — al kan zij er den stoot aan geven en hartelijke medewerking verleenen — zelf zou ondernemen en exploiteeren groote instellingen van sociale voorzorg, die in zich zelf een eigen doel hebben en een geheel speciale eigen organisatie en administratie eischen, liet daarop volgen:a) „geheel anders staat het echter met al dat kleinere werk van „sociale voorzorg, dat strekken kan tot betere beoefening van „ons armenzorg-werk. Al dat kleinere werk van sociale voorborg, dat geheel past in het kader van onze armenzorg, dat „er zoo geleidelijk en vanzelf uit voortvloeit, dat zoo gemakkelijk in de bestaande organisatie en administratie kan „worden ingelascht, dat ons werk voor cristalliseeren behoedt, ^en waartoe iedere armenverzorger komen moet, die zijn taak „breed en diep opvat."

De prae-adviseur Jhr. Mr. Smissaert, die vast hield aan een diepgaand verschil in beginsel en in doelzetting tusschen armenzorg en sociale voorzorg, daar de taak van de eerste is het zooveel mogelijk recïasseeren van gedeclasseerden, terwijl

1) Geschrift XXtl, bladi. 19.

2) Geschrift XXII, bladz. 34.

Sluiten