Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen te zijn van het besef van de hooge roeping eens armverzorgers, hoe meer zij blijk geven, nevens geschooldheid, van werkelijk bezielde naastenliefde, des te meer dringt zich de vraag op, of de krachten van zulke armverzorgers nog niet veel meer ten bate van den arme en van de maatschappij hare ontplooiing zouden kunnen vinden, wanneer zij, los van de wettelijke perken, in samenwerking met eene daartoe geeigende kerkelijke of bijzondere organisatie, den vrijen loop konden geven aan hunne religieuse of wijsgeerige overtuiging en zoo zich zelf meer konden geven aan den medemensch, die het voorwerp is van hunne zorgen.

Gebondenheid aan de perken van het publiek gezag is toch eigenlijk niet bevorderlijk om de wijsheid en de liefde, die onmisbaar zijn voor een doeltreffende armenverzorging, tot haar volle recht te doen komen. Dit geldt zoowel de sociale zorg als de weldadigheid in meer beperkten zin, waarvan de arme het voorwerp behoort te zijn. Bij de ongelukkige medemenschen die wij hier op het oog hebben, zijn deze niet te scheiden.

De oorzaak der armoede springt bij deze armen niet dadelijk in het oog en het middel van redres is ook niet dadelijk aanwijsbaar. De aanblik van den feitelijken toestand, waarvoor de arm verzorger zich hier geplaatst ziet, kan de leerstellingen en theorieën omtrent armenverzorging vertroebelen. Beschouwing van den mensch in zijn geheel, van elk individu afzonderlijk, is hier noodig. Wat zich uiterlijk als maatschappelijke nood vertoont (ziekte, drankmisbruik, onkunde, werkeloosheid, enz.), dat oogenschijnüjk door speciale hulpverleening zou kunnen worden weggenomen, is hier samengeweven met zijn geheele bestaan. Uitkomst is slechts mogelijk door een bepaaldelijk menschkundige behandeling. Onderzoek van de factoren waaruit de toestand is ontstaan, is individueel noodig.

Daarvoor is een contact van den arme met zijn verzorger noodig, dat bij den laatste vrij moet zijn van oppervlakkigheid, en waarbij deze moet worden gedreven door een diepgevoelde overtuiging omtrent de plichten van den mensch tegenover zijn zinkenden broeder. En moet men nu deze niet putten

Sluiten