Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de armoede zoude kunnen noemen (vermogensbelasting ?) niet bestemd kunnen worden voor de bestrijding der armoede?

Dit schijnt rationeeler dan de begeerte van een vroedschapscollege in de 18e eeuw, dat naar Prof. Brugmans in zijne geschiedenis van Amsterdam ons verhaalt, een deel van de inkomsten der posterijen (liever dan ze voor de algemeene middelen af te staan) voor de bestrijding der armoede wilde bestemmen!

Gijsbkrt Karel van Hogendorp (zie „Bijdragen tot de huishouding van Staat" I, bladz. 245 en volgg.), die in zijne treffende beschrijving van de armoede na een bewogen tijd (1816), door hem genoemd „eene groote kwaal, waaronder de staat gebukt gaat" en „de grootste vijandin van de financiën", medewerking van den staat aan de bestrijding daarvan bepleit, noemt de grondbelasting als een bron, waaruit voor dergelijk doel (vondelingen, verlaten kinderen, werkhuizen) zou kunnen worden geput.

Op de hierboven medegedeelde gronden zou ik willen concludeeren tot eene zoodanige wijziging van art. 14 der Armenwet, dat subsidies uit de gemeentefondsen niet behoeven te worden beperkt tot „zeer bijzondere gevallen", waarin de subsidie „volstrekt noodzakelijk" is, maar dat zulke subsidies, onder de bepalingen als overigens in art. 14 gesteld, aan andere dan burgerlijke instellingen van weldadigheid kunnen worden verleend, indien deze dien steun behoeven om hare armen op doelmatige wijze, zooals het maatschappelijk belang dit vordert, te verzorgen; dat de subsidie niet mag overschrijden het drievierde deel van hetgeen door de leden der instelling wordt opgebracht; en dat voor een derde van de subsidie de gemeente door het Rijk kan worden schadeloos gesteld.

Utrecht, Maart 1919.

A. F. VAN LYNDEN.

Sluiten